zondag 21 december 2025

De Vreemdeling (Kerstverhaal 2025)



I
Mathilde keek over het kerkplein en merkte dat het weer aan het veranderen was. De natte geur van herfstig verval ging eindelijk wijken voor koudere lucht met een scherp, snijdend randje. Ze wreef in haar handen en blies wolkjes uit. Samen met Bart hadden ze handig ingespeeld op de kou en hun idee werkte uitstekend. Bij de bus stond een heel kluitje koffie of chocolade te drinken. Bart zorgde er dan wel voor dat er zo hier en daar ook boekjes van het rekje met lektuur werden meegenomen. En dankzij de warme drank waren de mensen net even iets toeschietelijker voor een praatje.

De meeste mensen gingen gewoon hun gang, in hun jas gedoken, sjouwend met tassen vol met spullen waarvan ze dachten dat ze die nodig hadden voor hun kerstfeest. Het was druk.

Uit de straat rechts kwam een vrouw het plein op, met lang, piekerig haar dat veel te grijs was voor haar leeftijd. In haar hand hield ze het hengsel van een fel groen met geel gestreepte boodschappentas geklemd, alsof het haar grootste schat was. Of haar wapen. Mathilde voelde zich altijd ongemakkelijk als ze haar zag, omdat ze zo vreemd was. Ze zag er vreemd uit, praatte vreemd, en deed vreemd. Niet dat er veel reden was om bang te zijn voor haar. Bart had wel eens gezegd dat Aline zelf banger was voor mensen dan andersom. En toch - Mathilde vond het maar niks, die priemende ogen die altijd argwanend rondkeken, die alles leken te zien en te beoordelen.

Ze woonde in een oude caravan op een veldje in de buurt dat van niemand was. Geen mens durfde daar te gaan kijken. Zeker niet nadat de politie er een keer geweest was, gewoon, om even poolshoogte te nemen, en ze in een wilde tirade was uitgebarsten dat ze "alles wist". "Ik ken jullie allemaal!" had ze geschreeuwd. "Ik ben naar de aarde gestuurd om jullie in de gaten te houden! Jullie lijken wel mooi, aardig en vriendelijk, maar vanbinnen zijn jullie zo rot als wat!" 

Binnen in de caravan kwamen de agenten al helemaal niet, en uiteindelijk gingen ze maar naar huis. Het was wel duidelijk dat aandringen niet erg hielp. Sinds die tijd kon je Aline regelmatig in de stad aantreffen, spiedend van links naar rechts, altijd op ruime afstand van de mensen. En vandaag passeerde ze hun busje op het kerkplein. 

Mathilde kreeg een idee. 

Snel vulde ze een bekertje met koffie, pakte een stroopwafel en legde die er bovenop. Ze liep op het tengere vrouwtje af en stak haar het bekertje toe. Mathildes hart bonsde in haar keel.

"Hier," zei ze, "Alstublieft, het is voor u."

Als door een wesp gestoken bleef ze staan. "Ga weg!" riep ze. "Waag het niet om me aan te raken! Ik ken je! Ik weet alles van jou, van je vrienden. Ik ken je door en door!" Ze wees met haar wijsvinger dreigend in Mathildes richting. "En nu wil je zeker ons geheim weten, hè? Dat zal je mooi niet lukken! We weten dat jullie niet te vertrouwen zijn! Jullie zijn slecht, jullie weten er niets van. Aline laat zich niet omkopen! Blijf uit mijn buurt! Ik hoor niet bij jullie!"

Het was niet dat Mathilde had verwacht dat Aline haar zou beladen met dankbetuigingen, maar de felle woorden hadden haar toch van haar stuk gebracht. Ze stond even besluiteloos naar Aline te kijken die zich inmiddels alweer had omgedraaid.

En toen kreeg ze een ingeving. Een ingeving die zonder dat ze dat besefte de volgende dag op zijn kop zou gaan zetten. Misschien, dacht Mathilde, misschien pakt Aline de koffie en de koek wel als ik het op een vuilnisbak zet.

II
En dat deed ze. Het was alsof Aline vergeten was dat het dezelfde koffie was die die vrouw haar nog geen minuut geleden had aangeboden. Mathilde lachte naar Bart, en wees, hoe ze de koffie wegslokte en de koek in een paar happen verorberde.

Met het bekertje nog in haar linkerhand en de tas tussen de benen geklemd graaide ze intussen met de andere hand in de vuilnisbak. Het was voor haar de gebruikelijke manier om aan haar dagelijks brood te komen.

Van de andere kant van het plein kwam er een groepje jongens aangelopen die zojuist hadden gesport. Bart groette hen vriendelijk en bood hen ook drinken aan. De jongens lachten.

"O nee, meneertje, de kilo's zijn er net vanaf! En zo te zien wil u er ook een heel verhaal bij kwijt, dat wordt helemaal een zware boel! Nee, we hoeven ook geen boekjes - kijk -"

Eén van de jongens wees naar Aline die nog bij de afvalbak stond. "Kijk, daar vist ze er net eentje uit!"
Mathilde herkende het boekje in Alines hand. Het was een Johannesevangelie, donkerblauw met de afbeelding van een herder op de voorkant, omringd van schapen. In het rek bij de bus stonden er nog veel meer.

"Hee," riep de jongen naar Aline, "dat lijkt me wel wat voor jou joh, gelovig worden. Als je je best doet, word je misschien wel een engeltje! Je bent al bijna zo ver!"
De jongens schaterden het uit.

"Laat dat,..." zei Bart waarschuwend. Maar Aline had hen gehoord. Met het bekertje koffie in de ene hand en het Johannesevangelie in de andere keek ze de jongens aan. Haar ogen gloeiden.
"Ik bén een engel," zei ze luid, tot enorm vermaak van de jongens. Het leek haar niet te deren. "Ik ben gezonden om de mensen in de gaten te houden, om alles over hen te leren. Alles onthoud ik, alles schrijf ik op. Jullie zijn slecht!"

Ze keek even naar het boekje in haar hand. "In dit boekje staan geheimen. Geheimen óver de mensen, geheimen vóór de mensen. En ik ga al die geheimen lezen. Jullie zijn dom! Jullie gooien jullie grootste geheimen weg! Jullie denken dat niemand ze zal kunnen vinden, maar ik heb het gevonden!"

Ze zwaaide met het evangelie in de lucht, en de jongens lachten spottend. "Joh," zei er eentje, "dat boekje, daar staan geen geheimen in, dat gaat over God en zo! Maar ga jij er maar lekker in lezen, dan word je vast ook christelijk en ze kunnen jou in de kerk heel goed gebruiken! Als engeltje!"

Brullend van het lachen liepen de jongens weg. Aline bekeek het boekje een tijdje en stopte het in haar groen met gele tas. 

III
Die avond, na het eten, sprak Mathilde erover met Bart. "Die Aline had het over 'ik weet wie je bent, wie je vrienden zijn'... waar haalt ze dat vandaan? Het leek alsof ze het zo echt méénde..."
Bart kwam naast haar zitten en legde zijn hand op haar schouder. "Aline was bang, Mathilde. Je moet je dat niet zo aantrekken."

Mathilde keek hem een beetje verbaasd aan. "Bang voor mij?? Maar ze zei ook zoiets over 'ons geheim' en 'we weten dat jullie niet te vertrouwen zijn'... wat bedoelde ze daar mee? Wie zijn die 'we'?"

Er kwam een verdrietige trek om Barts mond. "Je weet hoe dat soms gaat, Mathilde.  Misschien is ze als kind bang gemaakt door haar eigen vader of moeder. Bang gemaakt om met andere mensen om te gaan. Niet alle ouders zorgen goed voor hun kinderen... en misschien denkt Aline daar nu nog steeds aan, aan wat haar vader of moeder ooit een keer zei."

Mathilde staarde even voor zich uit. "Maar ze heeft toch mooi zo'n Johannesevangelie meegenomen. Dat is een wonder! Wie weet wat het uitwerkt... ze was er volgens mij blij mee..."

Bart reageerde niet direct. "Ja, wie zal het zeggen," zei hij na een tijdje, "Gaat ze er iets van begrijpen? Zonder dat iemand het haar kan uitleggen? Maar je hebt gelijk, wie weet wat God allemaal kan doen..."

Mathilde voelde zich dankbaar; dankbaar dat ze zo ongedacht een middel was geweest in Gods hand. Dankbaar, en als ze eerlijk was, ook een klein beetje trots.

IV
Zaterdag, de dag vóór het feest, was de kou werkelijk ingevallen. De ochtend verliep rustig, er was wel wat meer belangstelling voor de koffie en de koek, en ze kregen daar de nodige complimenten voor. Νa het middaguur werd de bewolking dikker en dwarrelden de eerste voorzichtige vlokjes naar beneden. De mensen doken in hun jassen alsof ze de ergste sneeuwstorm in jaren moesten doorstaan.

Om half vier leek het er haast op dat de avond met een paar uur was vervroegd. De talloze slierten met lampjes in feestelijke kleuren die overal waren opgehangen op het plein kwamen nu goed tot hun recht. Mathilde liep op het plein rond, raapte hier en daar verdwaalde bekertjes op en veegde om de vijf minuten een klein laagje sneeuw van het boekenrekje af.

Het was rond dat moment dat Aline er weer aan kwam. Maar deze keer zag ze er anders uit, nog steeds dezelfde oude kleren, de vale schoenen - maar er ontbrak iets. Ze had haar groen met gele tas niet bij zich; en in plaats daarvan had ze een blauw boekje in de hand waarop een herder stond, omringd van schapen. Ze klemde het vast alsof het haar grootste schat was. Of haar wapen.

Midden op het plein hield ze stil, en wees met haar vinger naar de bus.

"Zij brengen jullie het goede nieuws!" schreeuwde ze. "Want jullie mensen, jullie zijn allemaal slecht! Ik ken jullie, ik ben gekomen om te zien wie jullie zijn, en ik heb gezien dat jullie totaal verdorven zijn!"
De voorbijgangers begonnen naar haar te kijken. Ze had een felle blos op haar wangen, en haar zwarte ogen flitsten gloeiend als kooltjes over de mensen.

Die mensen waren nog niet zo onder de indruk en vonden het vooral vermakelijk. Hun lachen moedigde Aline alleen maar aan.

"Ja! Lach maar!" riep ze. Haar stem klonk schel en begon over te slaan. "Jullie weten zelf heel goed hoe het zit. Jullie gemeenheid, het liegen dat jullie doen. O ja, jullie zijn er heel goed in om dat te verbergen! Jullie kunnen zo aardig zijn, zo vriendelijk. Maar jullie menen er niets van! Ik heb het wel gezien! Wie zou er iets voor jullie geven? Wie zou jullie de moeite waard vinden? Jullie worden in vuil geboren en vergaan tot stof! Wie zou jullie niet haten?"

Mathilde begon zich een beetje ongemakkelijk te voelen, onder die wijzende vinger van Aline, en de snel groeiende ring van mensen om haar heen.

"Doe effe normaal, joh," riep iemand tegen Aline, "noem je dat 'goed nieuws'?"

Aline stak het boekje in de lucht. "Dit is het goede nieuws!"

Ze opende het en begon gejaagd er wat in te bladeren. "Want zo lief heeft God de wereld gehad..." las ze, en haar stem klonk voor haar doen ineens kalm, nadenkend. "Niemand kan van jullie houden! Jullie zijn slecht! En toch - jullie God houdt van de wereld! Hoe kan dat?"

Het was alsof ze zich dat laatste in opperste verbazing zelf afvroeg.

"Ooooh, ben je dóminee geworden?" grijnsde een lange jongen die vlak bij haar stond. "Nou, donderpreken houden kan je! Geef eens op!" 

Hij reikte met zijn hand om het boekje van haar af te pakken. Alines ogen werden groot van angst.

"Raak me niet aan!" siste ze. "Ik hoor niet bij jullie! Wij zijn niet van jullie soort!"

"O, o! Zit het zó!" zei de jongen kwaad. "Niet van jullie soort, hè. Jij vindt jezelf zeker te goed voor ons! Geef op dat boekje! Dan zal ik je laten zien wat ik daar mee doe!"

Hij probeerde nu haar arm te grijpen, maar Aline weerde zich zo wild af dat ze hem sloeg. Ze schrok daar verschrikkelijk van, het zweet parelde op haar voorhoofd en ze haalde hijgend adem. De ogen van de jongen werden vuil.

Bart liep naar de kring van mensen en probeerde te sussen, maar dat maakte de woede van de jongen alleen maar erger omdat die dacht dat Bart en Aline onder één hoedje speelden. Andere mensen begonnen zich er mee te bemoeien.

Moest ze niet iets doen, dacht Mathilde angstig. Niemand kon voorspellen hoe Aline zou reageren als ze in het nauw werd gedreven. Ze frommelde in haar jaszak naar het mobieltje, maar zag plotseling dat er een eind terug in de winkelstraat twee agenten gemoedelijk aan het praten waren met wat winkelend publiek. Die hadden blijkbaar nog niets in de gaten.

Ze sloeg een sjaal om, haastte zich naar de agenten en riep dat ze moesten komen. Ze schoten gelijk in actie. De jongen die een klap van Aline had moeten incasseren, droop zonder al teveel gesputter af. En de rest van de mensen deed net alsof ze alleen maar toeschouwer waren. In het midden van de kring op het kerkplein was alleen Aline overgebleven met het boekje in haar verkleumde hand. Ze was nog onverminderd aan het roepen. "Jullie zijn dwaas! Jullie willen het goede nieuws niet eens horen!"

De agenten liepen op haar af. "Kom, mevrouw, u moet hier weg. Gaat u mee? We brengen u naar huis."

Maar Aline ging door met roepen en schreeuwen, dat God de mensen liefhad ook al was dat onbegrijpelijk. Uiteindelijk grepen de agenten in. 

Mathilde hoorde hoe ze brulde, als een wild dier - en hoe dat brullen overging in gillen, het krijsend gillen van een klein kind in totale paniek dat wordt geslagen zonder dat het weet waarom. Ze voelde zich misselijk worden, de koude rillingen liepen over haar rug en ze stond als aan de grond genageld. En toen de stilte eindelijk was teruggekeerd en iedereen op het kerkplein Aline vergeten leek, begon ze alles in de bus te laden. Bart hielp zonder een woord te zeggen mee.

V
Die avond aten ze zwijgend. Mathilde keek voortdurend naar buiten, en rommelde onrustig met haar handen.

"Het was mijn schuld," zei ze. "Ze wilde iets zeggen, en ik heb haar de kans niet gegeven. En ik had moeten weten dat die agenten geen rekening met haar zouden houden. Ik was gewoon te bang."

"Je kon er niets aan doen, lieverd," zei Bart.

"Misschien niet... maar ik móét het weten. En ik moet het goedmaken."

Bart keek haar vragend aan. "Wát moet je weten?"

"Wat ze zeggen wilde. Misschien kunnen we niets voor haar doen, maar ik kan er nu wel zíjn voor haar. Ik ga naar haar toe."

"Nú??" vroeg Bart onthutst. "Het is donker, het is glad - en ze laat je toch niet binnen! Weet je nog hoe ze gisteren reageerde?"

Mathilde stond resoluut op. "Dat zie ik dan wel weer. Ik voel dat ik erheen moet."

"Maar - het is onverantwoord, wie weet wat er allemaal - als je echt wil, dan ga ik mee."

Mathilde schudde haar hoofd. "Nee, dat is niet verstandig. Ze zal zeker geen mannen over de vloer willen. Dit kan ik beter zelf doen."

Bart sputterde tegen en gaf uiteindelijk toe. Ze reed met de auto over de dichtgesneeuwde weg naar het braakliggende veldje. De wereld zag eruit alsof iemand met een enorme witte zakdoek al het aardse verdriet en gekerm probeerde te smoren, en het zag er niet naar uit dat hij er snel mee zou stoppen. Voorzichtig sturend parkeerde Mathilde de auto bij Alines caravan.

Er scheen een zwak licht door één van de raampjes. Mathilde klopte op de deur maar er kwam geen antwoord. Ook tikken op het ruitje waar ze het licht zag schijnen leverde niets op. Voorzichtig opende ze uiteindelijk met bevende handen het deurtje van de caravan en stak haar hoofd naar binnen. Het was er doodstil, alleen boven de de bedbank brandde een lichtje. Daar lag Aline, in wat willekeurige lappen en doeken gewikkeld, met de ogen open naar boven starend.

Ze zal toch niet - dacht Mathilde even ontzet, maar toen ze bij haar stond hoorde ze opgelucht dat ze nog ademhaalde. Alines gezicht was rood en bezweet.

"Aline," zei Mathilde zacht, "kan je me horen?"

"Dorst," zei ze.

"Ja, natuurlijk," antwoordde Mathilde snel, en ze raakte even bijna in paniek bij de gedachte dat er misschien wel helemaal niets te vinden was in Alines caravannetje. Dat viel mee. Er was gewoon stromend water, en er stond zelfs een pak sap in het minuscule koelkastje. Naast de gootsteen lag een zak met witte bolletjes. Ze pakte het en keek ernaar.

"Wil je ook wat eten, Aline?"

"Ja..." klonk het zwak.

Het was eigenlijk niet erg positief dat ze zo timide was, dacht Mathilde. Het kon maar één ding betekenen.

Ze nam een bolletje en een bekertje met sap mee naar het bed. Maar meer dan een enkel stukje brood en een klein slokje kreeg Aline niet weg. Stil zat Mathilde een poosje te luisteren naar haar zware ademhaling. Maar ze móést het toch weten, ze móést het vragen.

"Het spijt me, Aline, van vanmiddag, van de politie die je mee heeft genomen... je wilde iets zeggen, hè? Wil je het mij vertellen? Over wat je in het boekje had gelezen?"

Alines ogen werden groot, en ze draaide haar hoofd naar Mathilde.

"Het boekje," lispelde ze zacht.

"Ja... wat had je daarin gelezen?"

Tot Mathildes verbazing kwamen er tranen in Alines ogen die over haar magere gezicht liepen.
"De mensen zijn slecht en toch houdt God van hen," zei ze. "Waarom zijn de mensen dan niet blij? Aline zou blij zijn, als iemand van haar hield..."

Mathilde liet de woorden door haar hoofd gaan. Alle antwoorden die ze kon bedenken op Alines vraag leken hier ongepast of onbelangrijk.

"Maar houdt God dan ook niet van jou, Aline?" vroeg ze uiteindelijk.

Er kwamen meer tranen. "God houdt van de mensen... God houdt niet van Aline, want Aline is geen mens."

Een steek ging door Mathildes borst. Ze keek naar het gekwelde en beschadigde leven dat daar op bed lag.

Monotoon ging Aline verder, "Ik ben naar de aarde gestuurd om de mensen in de gaten te houden. Nu weet Aline dat de mensen een God hebben Die van hen houdt. En vandaag moet ik de aarde weer verlaten."

"Je hebt jezelf altijd een vreemde gevonden, hè, Aline?" vroeg Mathilde zacht. Er kwamen ineens woorden in haar hoofd, als een melodie.

"Weet je, Aline, dat boekje wat je las, dat - dat - daar zijn nog meer boekjes van... en in eentje staat ook iets over vreemdelingen. Wacht, ik zal het voorlezen."

Mathilde pakte haar telefoon en zocht.

"Hier: de HEERE heeft de rechtvaardigen lief. De HEERE bewaart de vreemdelingen."

Aline keek haar met grote ogen aan. "Die - dat is God?" Er lag een hunkering in haar blik.

Mathilde knikte. Aline sloot met een zucht haar ogen. "God bewaart de vreemdelingen," sprak ze langzaam, alsof elk woord een goudprijs had. 

"Nu mag Aline weg," fluisterde ze. "Maar Aline is bang voor de reis..."

Mathilde zag de magere handen boven de doeken liggen, onrustig plukkend.

"Zal ik - mag ik je hand vasthouden, Aline, totdat de reis klaar is?" vroeg ze met een bonzend hart.
Aline legde haar rechterhand dichter naar haar toe, en heel voorzichtig nam Mathilde die in haar eigen hand. Zachtjes streelde ze erover.

"Ga maar," zei ze zacht, "alles is klaar, Aline. Er wordt op je gewacht."

Na een poosje stuurde Mathilde met één hand een berichtje naar Bart dat alles goed was.