Posts tonen met het label TvL. Alle posts tonen
Posts tonen met het label TvL. Alle posts tonen

dinsdag 5 juli 2022

Mens en liefdegave

[Zie hier voor eerdere delen over de Theologie van het Lichaam]

Als er één ding helder wordt uit het scheppingsverhaal van Genesis, dan is het wel dat de schepping geen product is van het toeval. Los van de vraag hóé de schepping precies vorm heeft gekregen, of langs welke weg, is God onmiskenbaar de bron. De schepping is door God gewild, en Genesis 1 toont ook de betrokkenheid van God bij elke stap in het scheppingsproces. Steeds lezen we dat God zag dat 'het goed was' - waaruit we mogen concluderen dat Gods betrokkenheid een liefdevolle betrokkenheid is; God vindt het belangrijk dat de schepping goed is.

De schepping is dus zorgvuldig ontworpen. Maar waarom? En voor wie? Het blijkt de mens te zijn, die als beelddrager van God de schepping uit Zijn hand ontvangt. Een gave waarvoor de mens mag gaan zorgen.


Intussen is de mens zélf óók geschapen, voortgekomen uit de gevende liefde van God. Als de schepping een gave voor de mens is, voor wie is de mens dan een gave? Deze vraag krijgt gewicht door het feit dat God zegt dat het “niet goed” is dat de mens alleen blijft. De essentie van wat het betekent om ‘mens’ te zijn komt blijkbaar niet volledig uit de verf als de mens alleen is; hij hoort mét en vóór een ander te leven in een wederzijdse relatie. Pas dan is het geluk volkomen.


Lichaam en geslacht


In die wederzijdse relatie kan de mens zich aan de ander geven; kenmerkend hierbij is het geslacht - mannelijk of vrouwelijk. Dit geslacht is geen losstaand onderdeel, maar doortrekt het hele bestaan van de mens. Het mannelijk of vrouwelijk zijn bepaalt fundamenteel wie je bént; en dat wordt zichtbaar in het lichaam, omdat het lichaam de levende ziel onthult. 


Het geslachtelijke lichaam vertelt dat de mens ten diepste een gave is, een gave voor de ander. De vrouwelijke lichaam is bedoeld voor het mannelijke lichaam; het mannelijke voor het vrouwelijke. Het lichaam openbaart daarmee een zeer essentiële waarheid betreffende de mens.


Seksualiteit en vrije gave


De mens deelt het geslachtelijke lichaam en de seksualiteit met het dierenrijk, en daarmee ook het doel van de voortplanting. Maar, in tegenstelling tot de dieren is dit alles bij de mens ook sterk verbonden aan het feit dat hij Gods beeld draagt. Het voortplantingsdoel van de seksualiteit is onveranderd, maar in plaats van het instinctmatige karakter bij de dieren draagt het bij de mens het karakter van een vrije, bewuste en beheerste gave. Die vrije gave van zichzelf maakt de mens tot wie hij is, dus in staat zijn om jezelf aan de ander te geven betekent ware vrijheid. Vrijheid is immers datgene kúnnen doen waarvoor je gemaakt bent. 


Dat de liefdegave ook beheerst moet zijn, is een logisch gevolg. Want onbeheersdheid komt uiteindelijk uit onvrijheid voort, waarbij iets anders jou gaat dicteren wat je moet doen.


Beeld van God


Het bestaansrecht van de mens is niet afhankelijk van het bestaan van de dieren of de rest van de schepping, de mens heeft op zichzelf bestaansrecht - God heeft hem dit gegeven omdat de mens Zijn beeld draagt. Dit geldt voor zowel de man als de vrouw.


Wanneer de man zichzelf geeft als liefdegave aan de vrouw, aanvaardt hij haar als datgene wat ze is: een in Gods ogen op zichzelf waardevol wezen, een beelddraagster van God zoals hij zelf beelddrager is; en uiteraard geldt dat ook andersom. De liefdegave is dus niet puur iets lichamelijks, maar sluit een totaal aanvaarden van de héle andere persoon in. De opmerking "ze waren naakt (...) maar schaamden zich niet" wijst daar op.


Het ware geluk


Genesis 2 maakt duidelijk dat de mens pas écht tot zijn doel komt in deze relatie van zelfgave tussen man en vrouw: twee ego's die elkaar in die liefdegave ontmoeten. Die ontmoeting is het oorspronkelijke geluk van de mens. Vóór de val maakt dit deel uit van de volmaakte zaligheid, maar ook ná de val blijft dit het fundament van het menselijk bestaan - en is het ook onderdeel van de "verlossing van het lichaam" waar Romeinen 8 over spreekt.


En, hoewel de uitspraak van Jezus over mensen die 'zichzelf ontmand hebben voor het Koninkrijk der hemelen' hiermee in tegenspraak lijkt te zijn, omdat er blijkbaar mensen zijn die een ándere roeping kunnen hebben dan de roeping van het huwelijk, heeft Jezus ook in dát geval nog steeds dezelfde mens op het oog die pas tot waar geluk komt in de gave van zichzelf. Hij (of zij) is dan in staat om van zichzelf een gave voor het Koninkrijk te maken - en dat is tegelijkertijd een bewijs dat de liefdegave te allen tijde echt vrij is; een werkelijk ongedwongen liefdegave. Liefde die zijn oorsprong dan weer vindt in Gods scheppende liefde die we al genoemd hebben.


[TvL 13.2-16.2] 


dinsdag 10 mei 2022

Schaamte en onbegrip

De naakte slang

In Genesis 2:25 lezen we: En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet.


De schaamte is een ervaring die de grens markeert tussen de situatie zoals die was vóór de zondeval en erna; een schaamte die verbonden is met de naaktheid van de mens. In Genesis 3:7, direct na het overtreden van Gods gebod, lezen we dat de mens en zijn vrouw niet langer meer in staat zijn om elkaars naaktheid te ervaren zónder schaamte.


Centraal op deze grens tussen vóór en ná de val staat de slang. Er was geen dier listiger dan de slang, luidt de vertaling van Genesis 3:1. In het Hebreeuws staat hier een interessante woordspeling, want de schrijfwijze van het woord listig is vrijwel identiek aan hoe het woord naakt een vers eerder (2:25) geschreven is. Je zou de tekst dus ook kunnen vertalen met geen dier was zó naakt als de slang. Of omgekeerd 2:25 vertalen met en ze waren beiden listig, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet. Dat klinkt vreemd in de oren, maar wat zo opvallend is, is dat de schrijfwijze van het woord naakt in 2:25 slechts éénmaal voorkomt in deze geschiedenis. Wanneer er in hoofdstuk 3 aan de naaktheid wordt gerefereerd (vers 7, 10 en 11) wordt het woord op een andere manier geschreven - zelfs zó anders, dat in Hebreeuwse woordenboeken het woord een eigen plek heeft gekregen.


De bijbelschrijver heeft duidelijk een verband willen leggen met de naaktheid van Adam en Eva vóór de val, en de listigheid van de slang. En blijkbaar is de naaktheid van Adam en Eva vóór de val niet helemaal hetzelfde als de naaktheid erná.


Dit stelt ons voor de vraag wat er precies wordt bedoeld met die naaktheid. En wat heeft naaktheid met ‘listigheid’ te maken?


Wat we alvast kunnen vaststellen is dat de naaktheid in Genesis 2 en 3 geen nutteloos detail is, maar juist cruciaal voor het theologisch begrijpen van het menselijk lichaam.


Schaamte is verlies

Genesis 2:25 laat zien dat de mens en zijn vrouw zich van elkaars lichaam bewust waren. Het is dus niet zo dat ze pas tot hun volle verstand kwamen na het eten van de vrucht. We zouden dat kunnen denken vanwege Genesis 3:7, waar staat dat ze ontdekten dat ze naakt waren. Wisten ze dat eerst dan niet?


Het is de reactie op elkaars naaktheid die het verschil maakt. Voorheen riep hun naaktheid geen schaamte op, maar in Genesis 3:7 wel. Wat is die schaamte eigenlijk?


Schaamte heeft te maken met hoe je jezelf aanvaart ten opzichte van de ander; het heeft zowel met toenadering te maken als met verwijdering. Toenadering omdat er geen schaamte zou zijn zónder de ander, maar ook verwijdering omdat het grenzen en regels stelt aan de gemeenschap van personen.


Precies die schaamte ontbreekt in Genesis 2:25. Dit heeft niets te maken met gebrek aan kennis of kinderlijkheid; de schaamte is ook niet verborgen, die is totaal afwezig. Er is wel de toenadering in het interpersoonlijke contact, maar niet het aspect van verwijdering, vóór de val is er een volheid van begrip voor en van elkaar. En dan gaat het vooral ook om het begrip van elkaars lichaam.


De schaamte die even later zijn intrede doet, is geen toename van kennis, maar een verlies van het volle begrip van elkaar. Er komt dus niets bij na de val, maar er gaat iets verloren.


Geschapen naaktheid

Wat was de betekenis van de naaktheid vóór de val?


In de eerste plaats was het door middel van zijn naakte lichaam dat de mens ervoer dat hij anders was dan de dieren om hem heen. Dit zou je een negatieve ervaring kunnen noemen, de mens ervoer hierdoor dat hij alleen was.


De ontdekking van zichzelf met de hulp van de vrouw is dan de positieve kant. Deze ontdekking is óók sterk lichamelijk - we hebben het eerder al gehad over de uitdrukking 'vlees van mijn vlees'.


Dit zelfbegrip en identificatie van de mens ten opzichte van de schepping en ten opzichte van de ander (man en vrouw) is dus gekoppeld aan hun naaktheid. Ze zijn juist door hun naaktheid in staat om elkaar volmaakt te kennen: de uiterlijke waarneming is volkomen en onversluierd. De kennis van elkaar is onschuldig, omdat er alleen kennis is van het goede - het stopt dus niet bij het uiterlijke, maar het raakt ook het innerlijk van de mens.


Onveilig

We keren terug naar de slang. Waarom wordt er een verband gelegd tussen de naaktheid van vóór de val en de listigheid van de slang?


We hebben gezien dat de naaktheid bij Adam en zijn vrouw zorgde voor een open en ongehinderde communicatie, voor een volledig begrip van elkaar. We mogen Genesis 3:1 zó lezen dat de slang in dat begrip blijkbaar het verst gevorderd was. 


Zo te zien is naaktheid op zichzelf iets neutraals. Het hoort zonder meer bij het goede van de schepping, maar het kan ook ten prooi vallen van de zonde. De slang maakte van de naaktheid - en dieper, van de open communicatie - een hulpmiddel ten dienste van zijn verdorven plan.


Tegelijk is dit de reden waarom de mens ná de val schorten krijgt. Naaktheid is niet langer meer veilig, de kans is te groot dat we er misbruik van maken. De interpersoonlijke communicatie is niet langer meer open en zuiver, en hierdoor kan de persoonlijke intimiteit geschaad worden. Schaamte zorgt daarbij voor voorzichtigheid, het is gezien de situatie van ná de val een Godgegeven bescherming. 


[TvL 11,12]

dinsdag 29 maart 2022

Samen het beeld van God

[Vorige postDeel 2]

Droom

Het is niet goed dat de mens alleen is…

Al vóór de mens daar zelf iets van merkte, spreekt God in Genesis 2:18 deze woorden uit, direct na de beschrijving van het paradijs en van de taak die de mens daar te vervullen heeft. We hebben al gezien dat de mens vervolgens, door het benoemen van de dieren om hem heen, zijn eigen uniekheid ontdekte. Een uniekheid die hem tegelijkertijd eenzaam maakt. Deze eenzaamheid is in de ogen van God niet goed.


In de schepping van de mens volgt daarom een extra stap. Het gaat hierbij niet om de schepping van een heel nieuw, op zichzelf staand wezen - zoals de vogels los staan van de landdieren. Nee, God neemt de mens en her-schept hem als het ware. Dit herscheppen gebeurt door middel van een ‘diepe slaap’. Het Hebreeuwse grondwoord voor deze slaap vinden we ook terug bij Abraham tijdens de verbondssluiting; het is een slaap van Godswege met een bijzondere bedoeling. De situatie vóór en ná deze slaap is radicaal anders, en zou als een beeld van dood en wederopstanding kunnen worden gezien. Tenslotte heeft de mens zelf geen zeggenschap over deze slaap, hij ondergaat hem geheel passief.


De mens in Genesis 2 valt in deze diepe slaap direct na de constatering dat hij geen hulp tegenover hem heeft, hij valt als het ware met het onvervulde verlangen in slaap en neemt dat mee als een droom. Een droom die vervolgens werkelijkheid wordt.


Vlees van mijn vlees

God - staat er - neemt een rib van de mens en maakt daarvan de vrouw. De mens vóór deze slaap bevatte dus zowel het vrouwelijke als het mannelijke, en God splitst die twee door de rib te nemen. Het paradoxale is dat de mens eerst eigenlijk in zichzelf vollediger was dan daarna; en dat dit tegelijkertijd door God als niet goed werd beschouwd. Het antwoord ligt in het woord relatie, alleen als er een gelijke en tegelijkertijd werkelijk ándere is kan er een relatie ontstaan. Hier wordt dus niet de vrouw geschapen (zij ontstaat immers niet uit niets maar wordt gebouwd uit de rib), het is de relatie tussen man en vrouw die wordt geschapen.


Zodra Adam wakker wordt en de vrouw ziet, roept hij uit:

Gen 2:23 Deze is ditmaal been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees!


Op het eerste gezicht lijkt deze vreugdekreet (zo mogen we dat toch wel noemen) erg op het fysieke gericht te zijn. De verwijzing naar ‘been van mijn beenderen’ is echter niet zo lichamelijk bedoeld; in het Oude Testament verwijst het woord beenderen vaak naar de innerlijke gesteldheid van de mens, zijn ‘wezen’. Er wordt niet zo’n onderscheid gemaakt tussen lichaam en ziel, en door over ‘beenderen’ te spreken krijgt de innerlijke structuur van de mens een plaats, hoe hij wérkelijk in elkaar zit, diep van binnen.

Hoewel dus been en vlees over hetzelfde lijken te gaan, bedoelt Adam hiermee te zeggen: Ze lijkt zowel van binnen als van buiten op mij!


Geslacht

Hoewel Adam dus zoveel van zichzelf herkent bij de vrouw, is er vanaf dat moment ook een kenmerkend verschil; het verschil van geslacht. De manier waarop God de mens tot man en vrouw maakte toont ons dat het hier niet gaat om een oppervlakkig verschil, een gewoon lichaamskenmerk zoals haarsoort of de kleur van de ogen. God heeft iets heel fundamenteels uit elkaar gehaald toen Hij de rib uit de mens tot een vrouw maakte; het geslacht van man en vrouw bepaalt hierdoor niet alleen hoe het lichaam eruit ziet, maar het bepaalt en beïnvloedt de hele persoon, als een soort grondwet van het bestaan. Het geslacht is niet alleen een eigenschap of een onderdeel van wie je bent, het bepaalt wie je bent.


Gemeenschap

De mens is dus als man én vrouw naar het beeld van God geschapen; en ook de relatie tussen deze man en vrouw hoort bij het beeld van God. Hier ligt een lijn tussen de schepping van man en vrouw en het dogma van de Drie-eenheid. Immers, de relatie tussen Vader, Zoon en Heilige Geest hoort onlosmakelijk bij het karakter van God - er is een gemeenschapsband in het wezen van God. Menselijke relaties weerspiegelen iets van dat karakter, en wel in het bijzonder de relatie binnen het huwelijk.


[TvL 8-10]

dinsdag 1 maart 2022

TvL - Reflectie 1

 Moderne theologie?


Johannes Paulus II (hier verder afgekort tot JP2 zonder hiermee denigrerend te willen zijn) spreekt in de eerste hoofdstukken van de Theologie van het Lichaam over de Elohistische en Jahwistische scheppingsverhalen. Genesis 1 - 2:4 is Elohistisch, het tweede scheppingsverhaal Jahwistisch. Dit eenvoudig omdat de Godsnaam in het eerste verhaal niet wordt gebruikt.


Ik ben niet erg op de hoogte van de theorie achter deze verdeling van Elohistische en Jahwistische delen van de Torah, maar het is zeker niet alleen JP2 die dat doet. Het is of was een tijd in zwang om op die manier de grondtekst van de Torah te verdelen in stukken die ouder dan wel nieuwer zouden zijn. Het uiteindelijke resultaat is dan een product van latere redactie die de verhalen uit de verschillende perioden combineerde.


Voor iemand die is opgevoed met de gedachte dat de Torah de "vijf boeken van Mozes" is en dus één auteur heeft, wekt een dergelijke verdeling (die veel meer de menselijke kant benadrukt van de Bijbel) altijd wat ergernis. Wat mij opviel aan in de Theologie van het Lichaam is dat JP2 wel regelmatig strooit met deze termen maar het uiteindelijk niet of nauwelijks invloed heeft op wat hij daadwerkelijk wil zeggen. De kern is dat er twee scheppingsverhalen zijn; iets wat niemand zal ontkennen; en dat deze twee scheppingsverhalen ieder een heel eigen invalshoek hebben ook niet.


Voor JP2 is het precieze karakter van de inspiratieleer van de Bijbel veel minder belangrijk dan voor bevindelijk gereformeerden. Dit komt omdat de Bijbel voor hem niet het enige fundament is waarop de Kerk staat. Hierdoor kan hij vrij spreken over de scheppingsverhalen als mythen en voelt hij zich dus niet gebonden aan een letterlijke interpretatie.


Ik vind het vervolgens intrigerend om te zien hoe JP2 met de tekst omgaat. Want aan de ene kant volgt hij een heel eind de "moderne" theologische opvatting, aan de andere kant neemt hij de betekenis van de tekst zeer precies. Je kunt merken dat JP2 de Bijbeltekst werkelijk als Godswoord leest, een Woord dat misschien anders is overgeleverd naar zijn idee dan een letterlijk verslag van gebeurtenissen, maar evengoed een Woord dat zegt wie wij als mensen zijn en horen te zijn.


Persoonlijk zou ik er voor kiezen om primair - net als JP2 - de betekenis van de tekst voorop te stellen, en niet zozeer te benadrukken dat de zaken die in de scheppingsverhalen worden genoemd persé letterlijk genomen moeten worden. Tegelijkertijd heeft een letterlijke interpretatie wél de voorkeur, omdat elke andere uitleg per definitie verder af staat van de tekst en meer voortkomt uit de ideeën van de uitleggende theoloog.


Mijn indruk is echter dat JP2 in de TvL wel vaak de moderne theologie noemt maar in de praktijk zich gewoon laat leiden door wat de bijbeltekst aanbiedt.


Lichaam en Ziel


Ik vond het niet eenvoudig om te begrijpen waar volgens JP2 het unieke van de mens nu in lag. Het is op zich duidelijk waar hij heen wil, namelijk: een (her) waardering van het menselijk lichaam. Maar wát zag Adam (of: de mens) nu precies toen hij de dieren namen gaf? Het feit dat de mens kan denken, en bewustzijn heeft is iets wat hem uniek maakt, maar JP2 wil verder dan dat. Ook het lichaam zélf zou unieke kenmerken bezitten; en dat terwijl het lichaam van de mens in feite niet fundamenteel verschilt van dat van de dieren.


Later in de TvL zal JP2 benadrukken dat het menselijk lichaam een eigen taal kan spreken; en dat het belangrijk is dat het innerlijk met het uiterlijk in overeenstemming is.

zaterdag 26 februari 2022

De Unieke Mens

[Vorige postDeel 1]

Adam


In Zijn gesprek met de Farizeeën over de echtscheiding citeerde Jezus twee verzen uit Genesis: 1:27 en 2:24; uit beide scheppingsverhalen één. Het eerste scheppingsverhaal geeft een feitelijk, zakelijk verslag; het tweede toont met meer detail de mens en wat hij deed; het is het verhaal van Adam. Bij Genesis 2:24 zijn we aangekomen bij het eindpunt van dit verhaal, of tenminste, vóórdat de mens verleid werd door de Satan.


We lezen in Genesis 2:7: Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.


Er wordt in dit hoofdstuk steeds over de mens gesproken, Adam in het Hebreeuws. Dit is zowel een eigennaam als een soortnaam, en het lijkt erop dat vóór de schepping van de vrouw er vooral over de mens als soort wordt gesproken. Het is dus niet zozeer de man Adam die wordt geschapen, maar de méns. Pas zodra in vers 23 de vrouw verschijnt, wordt er gesproken over man en vrouw (ish en ishah in het Hebreeuws).


De focus ligt dus niet zozeer op de persoon van Adam, maar op zijn mens-zijn. En op die manier worden ook wij aangesproken, even menselijk als deze eerste mens.


Eenzaam


In Genesis 2:18 lezen we: Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.


Het "niet goed" uit dit vers is een vreemde dissonant in al het goede dat tot dusver is genoemd. Blijkbaar is de mens 'alleen', eenzaam. De vraag is wat dit betekent, en het volgende verzen helpen daarbij. God laat de mens de dieren beoordelen en benoemen. Deze bezigheid zorgt ervoor dat de mens merkt dat hij alleen is.


Er staat niet: De mens zag dat de andere dieren koppeltjes vormden, en hij zelf geen vrouw had. Nee, het lijkt er meer op dat de mens tussen al die dieren op zoek was naar iemand zoals hij. En dat die er niet was. Al die dieren waren fundamenteel anders dan hijzelf. In vers 19 worden expliciet de beesten en de vogels genoemd; schepsels die de mens het meest nabij staan - die van alle schepsels het meest op hem lijken. Maar juist deze schepsels maken de mens duidelijk dat hij anders is.


De eenzaamheid van de eerste mens bestaat er dus in dat de mens ten opzichte van de rest van de schepping uniek is. Bij het proces van naam-geven aan alle dieren wordt dat unieke zichtbaar in het zelfbewustzijn van de mens. Hij is in staat om de wereld om zich heen uit vrije wil te beoordelen, meer nog, hij is tevens in staat om wát hij ziet op zichzelf toe te passen. We moeten echter geen te grote scheiding maken tussen het stoffelijke - dat de mens deelt met de dieren - en dat bewustzijn wat bij de dieren ontbreekt. Wat de mens tot mens maakt is zit hem ook in het lichamelijke; het is zelfs dat lichamelijke dat in het scheppingsverhaal wordt benadrukt. Genesis 2:7 spreekt over het stof der aarde en de levensadem die samen de mens vormen. We zouden op basis daarvan kunnen denken dat de mens niet veel verschilt met de dieren, en toch is er dus ook op lichamelijk vlak al een fundamenteel onderscheid. Het is vervolgens met zijn geestelijk bewustzijn dat de mens concludeert dat hij als lichamelijk wezen uniek is in de schepping.


Wat de mens tegelijkertijd ook anders maakt dan de dieren die hij van namen voorziet, is het feit dat hij in een verbondsrelatie met God staat. In tegenstelling tot de dieren moet de mens een keuze maken tussen goed en kwaad, tussen God gehoorzamen of niet. Van de dieren wordt een dergelijke keuze niet gevraagd; om de eenvoudige reden dat dit voor hen niet relevant is. Dát de mens klaarblijkelijk in staat is tot een dergelijke keuze is bijzonder en heeft te maken met wat er in Genesis 1:27 al is gezegd over het beeld Gods.


Tenslotte lezen we ook dat de mens met een bepaald doel is geschapen, iets wat over de dieren niet zo wordt gezegd. Dat doel wordt op een aantal momenten omschreven:

  • Genesis 1:26 spreekt over heerschappij
  • Genesis 1:28 spreekt over onderwerpen
  • Genesis 2:5 spreekt over het bewerken van de aardbodem
  • Genesis 2:15 spreekt over bewerken en onderhouden

De benoemen van de dieren door Adam is een illustratie hiervan. De mens is door God zó geschapen dat hij aan dit doel (het bewerken en onderhouden van de schepping) kan beantwoorden; wat weer betekent dat dit doel eigenlijk ook bepaalt wie hij is. De mens en het doel waarmee hij is geschapen kunnen niet los van elkaar worden gezien; de mens komt dus alleen "uit de verf" als hij richting dat doel werkt. Het lichaam dat de mens van God ontvangen heeft is daar op toegesneden.


We concluderen dat de mens als lichamelijk wezen anders is en met een ander doel is geschapen dan de dieren. Hoe hij door God is geschapen zet hem apart van de rest. Wanneer de mens de dieren gaat benoemen, wordt hij zich van deze bijzondere positie bewust. Hij staat alleen tegenover de schepping; en ook in zijn relatie met God is hij alleen, uniek.


God geeft de mens daarbij de keuze tussen de dood en het eeuwige leven. Net zoals de dood de mens in zijn lichaam zal raken, zo zal het eeuwige leven dat doen.


De les die we hier tot dusver uit mogen halen is dat het lichaam niet iets van een lagere orde is. Ons lichaam bepaalt even goed wie we zijn als onze geest dat doet. Samen, in éénheid, maken ze ons mens.


[TvL 5-7]



maandag 21 februari 2022

Theologie van het Lichaam

Inleiding

In de komende tijd ben ik van plan een aantal thema's uit de Theologie van het Lichaam op te pakken. Het is niet mijn bedoeling om een soort 1-op-1 uitleg te geven van dit enorm complexe en lastig te doorgronden werk, maar datgene wat de TvL aanbiedt te gebruiken als startpunt. Dat betekent dat wat ik schrijf, mijn eigen mening is - en niet noodzakelijk die van Johannes Paulus II; maar tegelijkertijd dat mijn mening zeer gevormd is door wat hij heeft geschreven. Ik pretendeer zeker niet origineel te zijn.


Het hoofddoel is om een beter zicht te krijgen op hoe de Bijbel spreekt over:

  • De mens op zich
  • De mens als man en vrouw
  • Het huwelijk


Toen ik een jaar of twee, drie geleden voor het eerst in aanraking kwam met de TvL trof mij zowel de enorme diepgang als de taaiheid van het werk. De taaiheid wordt deels veroorzaakt door het feit dat ik niet Rooms-Katholiek ben opgegroeid en daardoor wat minder bekend ben met het jargon. Ook cradle Catholics blijken het echter zware kost te vinden. Het lezen van het werk gaf en geeft me vaak het gevoel parels te zoeken tussen een hoop hooi; regelmatig overkomt het me dat ik een paragraaf totaal niet volg, en even regelmatig overkomt het me dat ik verbluft ben over de fundamentele waarheden die Johannes Paulus II weet te formuleren.


Los van hoe je staat tegenover de Rooms-Katholieke Kerk en haar leer, is de auteur van de TvL onweerlegbaar iemand met gezag. En het viel mij op hoe dicht Johannes Paulus II in dit werk zijn oor legt bij de Schrift. Of je nu gereformeerd bent, evangelisch of rooms, het is hoe dan ook de moeite waard om naar zijn gedachten over mens, huwelijk en seksualiteit te luisteren.


Een concrete casus

De TvL opent met een concreet probleem, in Mattheüs 19 op tafel gelegd door de Farizeeën. Mag je zomaar scheiden van je vrouw? Of zijn er regels en beperkingen?


Eigenlijk is de vraag zélf niet eens zo belangrijk. In onze tijd is het ook niet de meest besproken vraag, als het gaat om de dingen die spelen op het vlak van relaties (we lijken deze vraag inmiddels grotendeels gepasseerd te zijn; wie schrikt er nog van het aantal huwelijken dat in een scheiding eindigt?).


In onze tijd zouden de Farizeeën misschien een vraag hebben gesteld over homo-seksualiteit. Mag een man samenwonen met een andere man, zonder enige beperking? Of een vraag over genderdysforie.


Jezus gaat niet zomaar akkoord met de status-quo die wordt verondersteld door de Farizeeën, namelijk, dat echtscheiding op zichzelf een 'fact of life' is. Het lijkt erop dat de Farizeeën een ja-of-nee antwoord verwachten van Jezus. Of een lijst met voorwaarden. Ergens krijgen ze ook een concreet antwoord, maar Jezus' antwoord tilt tegelijkertijd de sluier op van het mysterie van de mens-zijn zelf.


De veronderstelling

De vraag van de Farizeeën past naadloos binnen het juridische systeem van de joodse orthodoxie, een systeem dat orde en regelmaat poogt aan te brengen in een wereld die sinds de zondeval voortdurend de neiging heeft om tot chaos te vervallen.


Maar voor Jezus is dat precies het probleem. Het punt van de echtscheiding kan niet goed worden beschouwd met een bril van na de zondeval, want dan zal ons antwoord per definitie gebrekkig zijn. We moeten terug naar hoe het was vóór de zondeval. Het leven na Genesis 3 mag niet de norm zijn, zelfs al is de mens niet in staat om de val terug te draaien, en om de grens over te steken van Genesis 3 naar Genesis 2. Dat we dat niet kunnen is geen excuus.


Dit horen we ook terug in Jezus antwoord wanneer de Farizeeën de scheidbrief van Mozes noemen. Voor de Farizeeën betekende die brief dat scheiden was toegestaan. Maar voor Jezus is de brief van Mozes niets meer dan het maximaal haalbare in de maatschappij van die dagen. Een stoplap misschien, om erger te voorkomen - zeker geen ideaal.


De mens zoals bedoeld

Christus geeft met een paar citaten uit Genesis 1 en 2 de richting aan waarin we moeten zoeken voor een fundamenteel antwoord. Het gaat er dan niet in de eerste plaats om wat de mens wel of niet mag doen, maar om wie de mens is.


Allereerst is er de feitelijke mededeling dat God de mens schiep naar Zijn beeld (Genesis 1:27). Belangrijk is het vervolgens om te constateren dat dit beeld van God niet door één mens op zichzelf kan worden gedragen, maar dat het beeld van God wordt gedragen door de mannelijke en vrouwelijke mens samen. Je zou haast kunnen stellen dat man en vrouw ieder de helft van het beeld Gods dragen. Hoe dan ook is er een direct verband tussen het fenomeen mannelijkheid en vrouwelijkheid enerzijds en Wie God Zelf is anderzijds. Dit betekent mijns inziens dat vragen die op dit vlak spelen met bijzondere aandacht en voorzichtigheid moeten worden behandeld. Als er iets de kern raakt van het menselijk bestaan, dan deze zaken.


In de vertelling van Genesis 1 komen regelmatig de woorden terug "... en God zag het goed was". Na de schepping van de mens, volgt zelfs zeer goed. Hiermee is de mens dus een door God gewenst wezen; zeer gewenst, en daarmee ook boven de rest van de schepping gesteld.


Het is - in het bijzonder vandaag de dag - zinvol om de manier waarop Genesis 1 schrijft over de schepping van de mens goed te overwegen. Er ligt een onmiskenbare band tussen de mens en de Schepper, en die band is een heel stuk sterker en directer dan bij de andere schepselen. God heeft iets heel persoonlijks gelegd in de manier waarop de mens is geschapen.


Het huwelijk 

De mededeling uit Genesis 1:27 geeft nog niet aan wat de verhouding is of hoort te zijn tussen man en vrouw. Dit volgt uit het tweede citaat dat Christus geeft, uit Genesis 2:24. Dit beschrijft in een enkele zin de diepte van het huwelijk. Voor de volgende keer.


[TvL 1-4]