woensdag 7 oktober 2026

De gevolgen van theologie studeren (5)

5. Niet tolvrij


"Een theologiestudie is namelijk verrijkend, maar niet tolvrij", schreef het commentaar in het Reformatorisch Dagblad. "Het kan iemand zelfs zijn geloof kosten".

Zowel het verrijkende aspect als de tol heb ik aan de lijve ondervonden. En ik heb van nabij gezien dat het inderdaad iemands geloof kan kosten. (Overigens - nu ik even nadenk over dit zinnetje in het Reformatorisch Dagblad, blijkbaar kan volgens de commentator iemand zijn of haar geloof verliezen. Achter die gedachte ligt een complex theologisch mijnenveld. Kan iemand ook het wáre geloof verliezen? En als dat niet zo is, hoe erg is het in feite als mensen schijngeloof kwijtraken? -- dit terzijde!)

Daarbij is er volgens het RD blijkbaar een glijdende schaal, waarbij het verlies van het geloof het dieptepunt is. Kortgezegd, een theologiestudie heeft blijvende effecten op de student - positief en negatief. Vandaag wil ik daar wat op reflecteren vanuit mijn eigen ervaring en de waarneming van de ervaringen van anderen.

Een theologieopleiding heeft niet hetzelfde effect op elke student, ook al is de stof hetzelfde en worden dezelfde opvattingen ter discussie gesteld. Het verschil kan zo groot zijn dat de ene student het christelijk geloof vaarwel zegt, terwijl de ander, opgegroeid zonder christelijke achtergrond, juist geïnteresseerd raakt. Wat een student zelf aan vragen en levenshouding meebrengt is daarbij zeer bepalend; en zeker ook de vraag of 'God' voor een student een belangrijk theologisch concept is, of een doorleefde realiteit.

Toen ik begon aan de Radboud, werd in de eerste les ons de vraag gesteld welk verhaal of welk gedeelte we zelf uit het Oude Testament zouden schrappen als we die mogelijkheid hadden. Ik zat achterin en was als één van de laatsten aan de beurt. Verhalen als het offer van Abraham, de uitroeiing van volkeren en dergelijke kwamen langs. Toen was een jongen aan de beurt die 2 Timotheus 3:16 aanhaalde: "Alles wat de Schrift zegt, is door God geïnspireerd" (NBV21). Niets mocht uit de Bijbel geschrapt worden, het was het Woord van God. Hij was de enige die deze stelling innam; ook ik deed dat niet. 

Twee maanden later nam hij volledig afstand van het christelijk geloof, mede door de nieuwe inzichten die hij tijdens de colleges OT en NT had opgedaan.

Nee, de opleiding theologie is niet tolvrij. Het is een opleiding die kritisch kijkt naar de zaken die voor een christen fundamenteel zijn. En daarom is het des te belangrijker om te weten wát er fundamenteel is voor je, en of dat wel terecht is. De jongen uit het voorbeeld hierboven fundeerde zijn geloof volledig op een bepaalde Schriftvisie. Een visie die sympathiek overkomt, en tegelijk zeer kwetsbaar is: een absolute versie van het Sola Scriptura. Wanneer dan de Schrift minder goddelijk blijkt te zijn dan je dacht, verliest het als geheel zijn waarde en stort het geloofshuis dat op dat fundament stond, ook in. Zeker een geloof dat gebaseerd is op ideeën en concepten is daar gevoelig voor. Want geen theologisch concept is per definitie veilig.

Wat dat betreft wil ik ook wijzen op het verschil tussen studeren aan de Radboud en aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Wanneer je als behoudende christen gaat studeren aan een liberale universiteit zoals de Radboud, ben je van te voren voorbereid dat men daar totaal anders over de zaken denkt dan je gewend bent. Binnen de groep van je jaargenoten kom je een enorme breedte aan opvattingen over van alles en nog wat tegen, en datzelfde geldt voor de docenten. Het is dan vrij eenvoudig om te denken "dat is hun mening" wanneer je iets hoort wat ingaat tegen wat je gewend bent. Dit wordt nog makkelijker als er binnen je groep rond hetzelfde thema vier verschillende opvattingen zijn. De jouwe is simpelweg de vijfde.

Wanneer je echter in een omgeving zit die veel dichter aansluit bij de cultuur waarin je bent opgegroeid, en er ook minder diversiteit aan opvattingen is, komen inzichten die afwijken van wat je gewend bent, harder aan. Stel dat je op de Radboud voor het eerst hoort dat een groot deel van de NT brieven wel Paulus' naam dragen maar niet van hem zijn, dan valt dat mentaal gezien in hetzelfde bakje als de bewering dat het evangelie van Thomas eigenlijk opgenomen had moeten worden in de canon. Kortom, een mening die met argumenten kan worden verdedigd en met argumenten kan worden bestreden, niets meer of minder dan dat. Wanneer echter de predikant uit je naburige behoudende gemeente in zijn functie als docent vertelt zelfs Calvijn twijfelde over het auteurschap van de tweede Petrusbrief, dan is dat gevoelsmatig van een andere orde.

Daarom denk ik niet dat studeren aan de Radboud persé "gevaarlijker" is voor iemands geloof dan studeren aan de TUA. Beide studies zullen bepaalde zekerheden ter discussie stellen; maar aan de TUA kan dit voor een gereformeerd opgegroeide student "dichterbij" komen.

Er is overigens niet alleen "gevaar". Juist op de Radboud heb ik voorbeelden gezien van respect voor de Bijbel, zo was er een echt niet al te conservatief denkende Rooms-Katholieke medestudent die aangaf altijd éérst te bidden voor hij aan een exegese paper ging werken. Omdat hij besefte dat hij ging nadenken over het Woord van God. Ook hadden we als studenten open, respectvolle gesprekken. Op de Radboud heb ik gemerkt dat het christelijk geloof geen "misvatting" is, zoals Richard Dawkins vroeger meende, het is alleszins redelijk. Sterker nog, één student die ik tegenkwam op de Radboud was vanwege puur filosofische argumenten tot de overtuiging gekomen dat het christelijk geloof redelijker was dan het atheïsme.

Maar voor een studie theologie moet je wel bereid zijn om ideeën te onderbouwen. En ter discussie te stellen. Wanneer een studie theologie geen effect heeft op het persoonlijke geloof, kan de vraag worden gesteld of er wel gestudeerd is. 

Ik heb het tot dusver alleen nog gehad over de 'verstandelijke' kant van het geloof. Maar ik heb ook studenten ontmoet die met een diepe Godservaring aan de opleiding waren begonnen. Zij waren in staat om een brede interesse in theologische onderwerpen te combineren met een "kinderlijk" geloofsvertrouwen; ik las een dergelijke houding ook terug in wat Bram van de Heuvel onlangs zei in verband met zijn promotie, "Ik ben een vrij simpel mens en heb een kinderlijk geloof. Dat is een gave, want ik weet dat anderen wel te kampen hebben met veel twijfel." Ik ben er van overtuigd dat studenten die God hebben ervaren in hun leven, en de band met God dagelijks ervaren, dit niet snel zullen kwijtraken.

Mijn geloof is wat meer verstandelijk van aard, en naar mijn idee daardoor kwetsbaarder. Één effect van de opleiding is dat ik een stuk terughoudender geworden wanneer mensen spreken over hun geloofservaringen, en ervaar ik zelf ook minder omdat het lastiger is geworden om me daarvoor "open" te stellen. Dit komt omdat de theologiestudie rationeler leert kijken naar geloof en geloofsuitingen. Dit zou ik als een wat meer 'negatief' effect van de theologieopleiding willen duiden.

Aan de andere kant is het fundament van het geloof - dat er een God is, dat Jezus "God geopenbaard in het vlees is" - voor mij alleen maar steviger geworden; hoewel deze zaken nauwelijks "bewezen" kunnen worden, geldt dat voor de alternatieven evenzeer en kies ik zeer van harte voor het christelijke narratief als de beste en de meest hoopvolle verklaring en richting van het menselijk bestaan. De theologieopleiding heeft mij laten zien dat voor een dergelijke houding goede argumenten zijn, een positief effect dus.

Meer op detailniveau heeft de opleiding mij inzicht gegeven in het spanningsveld tussen Rome en Reformatie, en heeft het mijn eigen opvattingen hieromtrent gevormd. Ik hoop daar in de komende weken - toepasselijk, zo richting 31 oktober - meer over te schrijven.

Misschien ben je trouwens benieuwd wat mijn antwoord was op de vraag wat ik uit het OT zou schrappen. Ik antwoordde dat ik niet gewend was om te bedenken wat ik zou schrappen uit de Bijbel; maar dat ik wel gewend was aan een Bijbel die sommige dingen uit míjn leven wilde schrappen.

woensdag 30 september 2026

De gevolgen van theologie studeren (4)

4. Sola Scriptura


De vorige keer heb ik het gehad over de wetenschappelijke blik op de Bijbel. Nu wil ik het meer hebben over wat dit deed met mijn visie op de Bijbel als het Woord van God.


Ik ben opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, en heb van jongsaf een isgelijk-teken leren plaatsen tussen de Bijbel en het Woord van God. Het één was een synoniem voor het andere - zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de manier waarop het RD deze week een uitspraak van ds. De Heer weergeeft: [https://www.rd.nl/artikel/ds-de-heer-bijbel-sinds-genesis-3-niet-meer-veilig-bij-de-mens] "Bijbel sinds Genesis 3 niet meer veilig bij de mens" (ik dacht, de Bijbel is ontstáán vanwege Genesis 3, en bestond daarvoor en zelfs lange tijd daarna nog niet; ds. De Heer had het over "Gods Woord", en dat is uiteraard correct).


Een adagium als Sola Scriptura was voor mij dan ook bekend en logisch. Als het Woord van God de Bijbel was, dan ging daar niets boven en was dat voldoende. Tegelijkertijd ontstond de paradox dat de Bijbel en de theologische opvattingen van de Gereformeerde Gemeenten naar mijn opvatting wat op gespannen voet stonden, vooral daar waar het gaat over de 'heilszekerheid' (kortgezegd, ben je gered of niet, ga je naar de hemel of naar de hel). En ik was niet de enige; ik noem slechts Blaauwendraad en Van der Zwaag. Er was rond dit onderwerp een bredere discussie tussen mensen die het over één punt wel eens waren: De Bijbel had gelijk.


En dat gold ook voor mijn persoonlijk geloof; ik vond antwoorden op de vraag rond het heil in de Bijbel en was daarmee tevreden. En omdat de Gereformeerde Gemeenten mijns inziens te ver van de Bijbel waren afgedwaald, ben ik daar uiteindelijk ook vertrokken. De Bijbel was voor mij het eindpunt.


Vragen rond het Sola Scriptura stelde ik toen nog niet - dat kwam na verdere reflectie op de vraag wie er in het theologische landschap 'gelijk' heeft wanneer de Bijbel wordt uitgelegd, en ook op de vraag wat dat eigenlijk is, 'de' Bijbel. In mijn jeugd was de Bijbel niet alleen synoniem met Gods Woord, maar ook met de Statenvertaling. Door een studie Hebreeuws begon dat te veranderen. Vanuit Rooms-Katholieke hoek kreeg ik daarbij meer oog voor het begrip 'traditie', en de waarde van een Kerk die over de Bijbeluitleg en de theologie waakt.


Rond die tijd ging ik aan de Radboud studeren, en één van de eerste vakken was Exegese NT waarbij we een boek gebruikten van Bart Ehrman die uitlegde hoe een wetenschappelijke editie van het griekse NT (NA28) is opgebouwd: van elk vers is de meest waarschijnlijke grondtekstvariant opgenomen, maar als geheel is er geen enkel papyrus dat overeenkomt met de NA28. De autografen, de oorspronkelijke handschriften, zijn namelijk verloren gegaan.


Daarbij moet, in tegenstelling tot wat een kreet als Sola Scriptura lijkt te pretenderen, de Bijbeltekst altijd door een interpretatieslag heen. Er is tegenwoordig meer aandacht voor deze 'ontvangst'kant van teksten in het algemeen (zie bijvoorbeeld het recente gesprek met ds. T. Bakker over hermeneutiek), en daarmee is er ook meer oog voor de gedachte dat de Bijbeltekst kan 'werken' tijdens het lezen. De vraag is dan wel waar de normativiteit ligt: bij de tekst zelf, of bij de individuele interpretatie? 'Sola Scriptura' pretendeert dit geheel bij de tekst te leggen - en dat klinkt solide, maar de vraag is of het in de praktijk kan. En of de veelkleurigheid van het protestantisme geen bewijs is van het eigen ongelijk op dit vlak.


Het is juist op de TUA dat dit onderwerp aan de orde kwam, toen we het boek 'Geestspraak' van H. van den Belt bespraken. Die merkt op dat Gods Geest niet alleen het schrijven van de Bijbelteksten inspireerde, maar ook het lézen en het trekken van conclusies uit de bijbeltekst inspireert. Voor Van den Belt is een belangrijke 'leesregel' dat de Bijbel met de 'Kerk van alle tijden en plaatsen' wordt gelezen. Voor mij is dit een cruciale gedachte, die ik misschien nog wel wat verder doortrek dan Van den Belt doet. Ik ben er nog niet helemaal over uit of de Bijbel primair het boek is van de christelijke gemeenschap, of dat de christelijke gemeenschap voortkomt uit de Bijbel; maar het is een feit dat voor de eerste opvatting zeker zinnige argumenten zijn.


Het Sola Scriptura dat ik in mijn jeugd meekreeg als een soort gouden standaard die we dankzij de Reformatie verwierven, vind ik daarmee echt problematisch (en ik ben dus niet de enige). Het is niet vol te houden wanneer je ook maar enige kennis hebt van de Bijbel en de kerkgeschiedenis. In kerkelijke kringen toch blijven spreken van het Sola Scriptura, in het bijzonder wanneer dit exclusief wordt verbonden aan de Statenvertaling, komt wat mij betreft in de buurt van misleiding.


Daarnaast ben ik nog kritischer gaan kijken naar exegetische 'vondsten' van relatief recente datum, in het bijzonder als deze Israël of de eindtijd (vanuit Openbaringen) betreffen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de bedelingenleer van Darby en bepaalde opvattingen rond het duizendjarig rijk. Deze "dispensationalistische" theologie leunt heel sterk op het Sola Scriptura (en daarom was ik er aanvankelijk ook wel van gecharmeerd); ik verwijs hier als voorbeeld naar het boekje 'De bijbel én de belijdenis? Over biblicisme en bijbellezen' van J. Fijnvandraat, waar de schrijver zichzelf als 'biblicist' beschouwt. Juist de rol van de traditie, die Fijnvandraat onderwaardeert, zorgde ervoor dat ik kritisch werd op de inzichten van deze stroming. Die inzichten van een enkeling, die geen basis hadden in de hoofdstroom van de kerkgeschiedenis, worden overgewaardeerd zonder dat voldoende wordt verdisconteerd dat elke exegese een tijdgebonden, gekleurde interpretatie is. Een theologie die niet is geworteld in de Kerk 'van alle tijden en plaatsen' kreeg voor mij minder autoriteit, al is het altijd mogelijk ervan te leren.


Om dezelfde reden ben ik ook kritischer gaan kijken naar de exegese van de Reformatie. In een bepaald gedeelte uit de Institutie van Calvijn waarin hij een paar verzen uit 1 Korinthe 3 bespreekt, stelt hij onomwonden dat hij het beter weet dan de kerkvaders - en die schuift hij vrij makkelijk aan de kant. In een onderzoek dat ik deed vergeleek ik zijn houding met die van Benedictus XVI die met betrekking tot hetzelfde gedeelte een veel meer luisterende houding aanneemt en de hele uitleggeschiedenis van het gedeelte verdisconteert in zijn eigen opvatting. Dat is wat mij betreft de manier om te voorkomen dat je eigen geniale inzicht het startpunt wordt van een nieuwe dwaling; de traditie moet op zijn minst fungeren als vangrails. (Overigens hecht ik eraan op te merken dat ik geen oordeel vel over Calvijns houding richting de kerkvaders in het geheel van zijn werken - die houding zal ongetwijfeld genuanceerder zijn, ik heb daar geen studie naar verricht. Het gaat mij hier om dit specifieke geval rond 1 Korinthe 3.)


Op een heel ander vlak ben ik ook terughoudend geworden: de theologische waarde van het brontekstonderzoek, in het bijzonder dat van het Nieuwe Testament. Ik zou graag enige scheiding aan willen brengen tussen het onderzoek naar de oudste variant(en) van het NT, en de vraag welke tekst gezag heeft binnen de Kerk. Er is nu een tendens om hoe dan ook de oudste tekst het meeste gezag toe te kennen, maar dat betekent dat het 'echte' Woord van God blijkbaar in verloren gegane autografen staat, en dat we steeds dichter bij dit oorspronkelijke Woord van God komen wanneer we maar harder ons best doen het origineel te reconstrueren. Een dergelijke gedachte minimaliseert het werk van de Heilige Geest bij de overlevering van de tekst, en dat vind ik bezwaarlijk omdat het naar Gods wil lijkt te zijn om Zijn Woord een menselijk karakter te geven.


Voor de Kerk is het 'terugvinden' van de meest oorspronkelijke tekst dus niet van cruciaal belang. En het lange slot van Markus is geen fout, het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes evenmin. Dat neemt niet weg dat het academisch onderzoek naar deze teksten wel degelijk van waarde kan zijn, omdat het licht kan werpen op de betekenis van bepaalde passages. Maar er is het risico dat de drang naar het vinden van de meest oorspronkelijke tekst van die tekst een soort Koran maakt, die dan 'ongeschonden' uit de hand van God zou zijn gekomen en daarna alleen maar is bezoedeld door overschrijffouten. Een term als 'Sola Scriptura' versterkt een dergelijke gedachte.


Ik ben geen moslim en geloof niet primair in een boek, zeker niet in een boek dat God volmaakt liet schrijven om het onmiddellijk daarna verloren te laten gaan. Ik geloof in een levend Woord, dat door de Geest werkt in de Kerk. Een recent gevonden oud manuscript kan voor mij daarom niet de tekst overtroeven die door diezelfde Geest door de eeuwen heen is overgeleverd.


De theologiestudie heeft voor mij het idee verscherpt dat de werkelijke waarde van de Bijbel niet kan worden gevonden door te proberen te achterhalen hoe de tekst is ontstaan, maar eerder door meditatie over de tekst in het geloof dat ze - op allerlei verschillende wijzen - door God in het heden zijn gebracht. En daarbij geloof ik dat ook de "ongepolijste" tekstoverlevering bewust door God zo gewild is. Hij gaf Zijn Woord een menselijk karakter. Dit maakt de Bijbel ook een "levend" document, geen statische tekst (zoals ik eerder de visie op de Koran beschreef).


Iemand zou hier overigens kunnen tegenwerpen dat in het NT de tekst van het OT ook gelijkgesteld werd met het Woord van God: Jezus heeft het bijvoorbeeld bij de verzoeking in de woestijn over 'er staat geschreven'. Dat is inderdaad een belangrijke nuance, en moet ons aan de andere kant bewaren voor een al te menselijke visie op de Bijbel. De Bijbel die we nu hebben, is het Woord dat God ons wilde geven. 


Tegelijk bewijst de manier waarop het NT het OT citeert ook dat de apostelen zelf dit Woord als een levend iets beschouwden en niet als een statische tekst - vanwege het gebruik van de Septuaginta. Voor mij heeft deze vertaling van het OT dan ook aan waarde gewonnen, omdat het het "Oude Testament van de jonge Kerk" was (een titel die Chris Fahner aan een boekje over de LXX gaf). 

woensdag 23 september 2026

Apple TV 'Silo' en 'the greater good'




Ik keek onlangs de Apple TV serie 'Silo', en mij trof daarin de overtuigende manier waarop de druk werd uitgebeeld die kan worden uitgeoefend op mensen om ze iets ve
rschrikkelijks te laten doen zodat iets ergers daardoor wordt voorkomen. In het 'universum' van Silo is dat meest erge de "safeguard", de complete uitroeiing van alles en iedereen in een silo-leefgemeenschap.

Om een dergelijke "safeguard" te voorkomen, moet een leider van een silo wel eens een drastische maatregel nemen - een moord op deze of gene, ook als dat een geliefde betreft. Als met die ene moord de dood van tienduizend mensen wordt voorkomen, dan lijkt dat redelijk. De balans wordt ook nog extremer gesteld in de serie; twee- of drieduizend doden zijn nog steeds te prefereren als daarmee het leven en het voortbestaan van de silo wordt gewaarborgd.

Als kijker voel je aan dat met een dergelijke redenering iets niet klopt. En tegelijk snap je de overwegingen. De personen die een dergelijke beslissing moeten nemen, komen minder verdorven over zodra je weet voor wat voor dilemma's ze zijn gesteld.

Hoe dan ook is er sprake van niveau's in verdorvenheid. Wat het precieze masterplan is, dat is op dit moment nog niet volledig onthuld. Maar wel dat het geen enkele rekening houdt met mensenslevens; de mensen in de silo's zijn 'zaden', totaal geinstrumentaliseerd voor een idee over de ideale wereld van een genius met teveel geld zodat hij een atoombom kan gebruiken voor de verwerkelijking van dat idee.

In de toplaag is het 'kwaad' dus helder te definieren. Het spannende gebeurt in de laag die van deze top wel de instructies en de dreigementen krijgt, maar niet alle contextinformatie. Voor hen is dit het klassieke filosofische dilemma van de trolley. Silo geeft gevoelsmatig een antwoord op dit probleem; dat het niet juist is de enkeling onvrijwillig op te offeren voor de gemeenschap. Dat daarmee iets fundamenteel menselijks verloren gaat.

En dat terwijl de rekensom vrij eenvoudig is, zoals utilitaristen zullen stellen. En zo acteren de leiders - Bernard, en later Camille - ook. Het is niet leuk, maar het is logisch, het is het beste. De gemeenschap gaat daarmee vóór het individu, maar de meeste individuen profiteren daar ook van.

De vraag is echter wat de plaats van 'menswaardigheid' hier is. Het is de kracht van de serie dat dit probleem heel zichtbaar wordt gemaakt. En dat er uiteindelijk wel afstand móét worden genomen van dit utilitaristisch denken, zonder de garantie dat de balans in doden versus levenden gunstiger zal uitslaan. Er worden meer risico's genomen, omdat men niet langer tevreden is met de eenvoudige rekensom. Het lijkt menswaardiger te zijn om desnoods met zijn allen eervol ten onder te gaan, dan om te blijven leven door een logisch beredeneerde beslissing die alleen ánderen het leven kostte.

Ik had het gevoel dat de serie hiermee aan het mysterie raakte van wat het betekent om 'mens' te zijn, en dat elk mens een intrinsieke waarde heeft - iets wat ik zelf uit Genesis 1:27 haal, de mens is gemaakt naar het beeld van God. Voor de gemeenschap geldt niet ongekwalificeerd dat die 'meer is dan de som der delen'. Dat betekent niet dat de gemeenschap onbelangrijk is en dat we naar een hyperindividuele samenleving moeten streven, maar wel dat de gemeenschap slechts dan floreert als het de individuele mens als beelddrager van God wordt erkend en gerespecteerd. Die mens kan zich dan nog steeds ten dienste stellen (of zelfs opofferen) voor de gemeenschap. Maar nooit als instrument in handen van anderen.