woensdag 30 september 2026

De gevolgen van theologie studeren (4)

4. Sola Scriptura


De vorige keer heb ik het gehad over de wetenschappelijke blik op de Bijbel. Nu wil ik het meer hebben over wat dit deed met mijn visie op de Bijbel als het Woord van God.


Ik ben opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, en heb van jongsaf een isgelijk-teken leren plaatsen tussen de Bijbel en het Woord van God. Het één was een synoniem voor het andere - zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de manier waarop het RD deze week een uitspraak van ds. De Heer weergeeft: [https://www.rd.nl/artikel/ds-de-heer-bijbel-sinds-genesis-3-niet-meer-veilig-bij-de-mens] "Bijbel sinds Genesis 3 niet meer veilig bij de mens" (ik dacht, de Bijbel is ontstáán vanwege Genesis 3, en bestond daarvoor en zelfs lange tijd daarna nog niet; ds. De Heer had het over "Gods Woord", en dat is uiteraard correct).


Een adagium als Sola Scriptura was voor mij dan ook bekend en logisch. Als het Woord van God de Bijbel was, dan ging daar niets boven en was dat voldoende. Tegelijkertijd ontstond de paradox dat de Bijbel en de theologische opvattingen van de Gereformeerde Gemeenten naar mijn opvatting wat op gespannen voet stonden, vooral daar waar het gaat over de 'heilszekerheid' (kortgezegd, ben je gered of niet, ga je naar de hemel of naar de hel). En ik was niet de enige; ik noem slechts Blaauwendraad en Van der Zwaag. Er was rond dit onderwerp een bredere discussie tussen mensen die het over één punt wel eens waren: De Bijbel had gelijk.


En dat gold ook voor mijn persoonlijk geloof; ik vond antwoorden op de vraag rond het heil in de Bijbel en was daarmee tevreden. En omdat de Gereformeerde Gemeenten mijns inziens te ver van de Bijbel waren afgedwaald, ben ik daar uiteindelijk ook vertrokken. De Bijbel was voor mij het eindpunt.


Vragen rond het Sola Scriptura stelde ik toen nog niet - dat kwam na verdere reflectie op de vraag wie er in het theologische landschap 'gelijk' heeft wanneer de Bijbel wordt uitgelegd, en ook op de vraag wat dat eigenlijk is, 'de' Bijbel. In mijn jeugd was de Bijbel niet alleen synoniem met Gods Woord, maar ook met de Statenvertaling. Door een studie Hebreeuws begon dat te veranderen. Vanuit Rooms-Katholieke hoek kreeg ik daarbij meer oog voor het begrip 'traditie', en de waarde van een Kerk die over de Bijbeluitleg en de theologie waakt.


Rond die tijd ging ik aan de Radboud studeren, en één van de eerste vakken was Exegese NT waarbij we een boek gebruikten van Bart Ehrman die uitlegde hoe een wetenschappelijke editie van het griekse NT (NA28) is opgebouwd: van elk vers is de meest waarschijnlijke grondtekstvariant opgenomen, maar als geheel is er geen enkel papyrus dat overeenkomt met de NA28. De autografen, de oorspronkelijke handschriften, zijn namelijk verloren gegaan.


Daarbij moet, in tegenstelling tot wat een kreet als Sola Scriptura lijkt te pretenderen, de Bijbeltekst altijd door een interpretatieslag heen. Er is tegenwoordig meer aandacht voor deze 'ontvangst'kant van teksten in het algemeen (zie bijvoorbeeld het recente gesprek met ds. T. Bakker over hermeneutiek), en daarmee is er ook meer oog voor de gedachte dat de Bijbeltekst kan 'werken' tijdens het lezen. De vraag is dan wel waar de normativiteit ligt: bij de tekst zelf, of bij de individuele interpretatie? 'Sola Scriptura' pretendeert dit geheel bij de tekst te leggen - en dat klinkt solide, maar de vraag is of het in de praktijk kan. En of de veelkleurigheid van het protestantisme geen bewijs is van het eigen ongelijk op dit vlak.


Het is juist op de TUA dat dit onderwerp aan de orde kwam, toen we het boek 'Geestspraak' van H. van den Belt bespraken. Die merkt op dat Gods Geest niet alleen het schrijven van de Bijbelteksten inspireerde, maar ook het lézen en het trekken van conclusies uit de bijbeltekst inspireert. Voor Van den Belt is een belangrijke 'leesregel' dat de Bijbel met de 'Kerk van alle tijden en plaatsen' wordt gelezen. Voor mij is dit een cruciale gedachte, die ik misschien nog wel wat verder doortrek dan Van den Belt doet. Ik ben er nog niet helemaal over uit of de Bijbel primair het boek is van de christelijke gemeenschap, of dat de christelijke gemeenschap voortkomt uit de Bijbel; maar het is een feit dat voor de eerste opvatting zeker zinnige argumenten zijn.


Het Sola Scriptura dat ik in mijn jeugd meekreeg als een soort gouden standaard die we dankzij de Reformatie verwierven, vind ik daarmee echt problematisch (en ik ben dus niet de enige). Het is niet vol te houden wanneer je ook maar enige kennis hebt van de Bijbel en de kerkgeschiedenis. In kerkelijke kringen toch blijven spreken van het Sola Scriptura, in het bijzonder wanneer dit exclusief wordt verbonden aan de Statenvertaling, komt wat mij betreft in de buurt van misleiding.


Daarnaast ben ik nog kritischer gaan kijken naar exegetische 'vondsten' van relatief recente datum, in het bijzonder als deze Israël of de eindtijd (vanuit Openbaringen) betreffen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de bedelingenleer van Darby en bepaalde opvattingen rond het duizendjarig rijk. Deze "dispensationalistische" theologie leunt heel sterk op het Sola Scriptura (en daarom was ik er aanvankelijk ook wel van gecharmeerd); ik verwijs hier als voorbeeld naar het boekje 'De bijbel én de belijdenis? Over biblicisme en bijbellezen' van J. Fijnvandraat, waar de schrijver zichzelf als 'biblicist' beschouwt. Juist de rol van de traditie, die Fijnvandraat onderwaardeert, zorgde ervoor dat ik kritisch werd op de inzichten van deze stroming. Die inzichten van een enkeling, die geen basis hadden in de hoofdstroom van de kerkgeschiedenis, worden overgewaardeerd zonder dat voldoende wordt verdisconteerd dat elke exegese een tijdgebonden, gekleurde interpretatie is. Een theologie die niet is geworteld in de Kerk 'van alle tijden en plaatsen' kreeg voor mij minder autoriteit, al is het altijd mogelijk ervan te leren.


Om dezelfde reden ben ik ook kritischer gaan kijken naar de exegese van de Reformatie. In een bepaald gedeelte uit de Institutie van Calvijn waarin hij een paar verzen uit 1 Korinthe 3 bespreekt, stelt hij onomwonden dat hij het beter weet dan de kerkvaders - en die schuift hij vrij makkelijk aan de kant. In een onderzoek dat ik deed vergeleek ik zijn houding met die van Benedictus XVI die met betrekking tot hetzelfde gedeelte een veel meer luisterende houding aanneemt en de hele uitleggeschiedenis van het gedeelte verdisconteert in zijn eigen opvatting. Dat is wat mij betreft de manier om te voorkomen dat je eigen geniale inzicht het startpunt wordt van een nieuwe dwaling; de traditie moet op zijn minst fungeren als vangrails. (Overigens hecht ik eraan op te merken dat ik geen oordeel vel over Calvijns houding richting de kerkvaders in het geheel van zijn werken - die houding zal ongetwijfeld genuanceerder zijn, ik heb daar geen studie naar verricht. Het gaat mij hier om dit specifieke geval rond 1 Korinthe 3.)


Op een heel ander vlak ben ik ook terughoudend geworden: de theologische waarde van het brontekstonderzoek, in het bijzonder dat van het Nieuwe Testament. Ik zou graag enige scheiding aan willen brengen tussen het onderzoek naar de oudste variant(en) van het NT, en de vraag welke tekst gezag heeft binnen de Kerk. Er is nu een tendens om hoe dan ook de oudste tekst het meeste gezag toe te kennen, maar dat betekent dat het 'echte' Woord van God blijkbaar in verloren gegane autografen staat, en dat we steeds dichter bij dit oorspronkelijke Woord van God komen wanneer we maar harder ons best doen het origineel te reconstrueren. Een dergelijke gedachte minimaliseert het werk van de Heilige Geest bij de overlevering van de tekst, en dat vind ik bezwaarlijk omdat het naar Gods wil lijkt te zijn om Zijn Woord een menselijk karakter te geven.


Voor de Kerk is het 'terugvinden' van de meest oorspronkelijke tekst dus niet van cruciaal belang. En het lange slot van Markus is geen fout, het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes evenmin. Dat neemt niet weg dat het academisch onderzoek naar deze teksten wel degelijk van waarde kan zijn, omdat het licht kan werpen op de betekenis van bepaalde passages. Maar er is het risico dat de drang naar het vinden van de meest oorspronkelijke tekst van die tekst een soort Koran maakt, die dan 'ongeschonden' uit de hand van God zou zijn gekomen en daarna alleen maar is bezoedeld door overschrijffouten. Een term als 'Sola Scriptura' versterkt een dergelijke gedachte.


Ik ben geen moslim en geloof niet primair in een boek, zeker niet in een boek dat God volmaakt liet schrijven om het onmiddellijk daarna verloren te laten gaan. Ik geloof in een levend Woord, dat door de Geest werkt in de Kerk. Een recent gevonden oud manuscript kan voor mij daarom niet de tekst overtroeven die door diezelfde Geest door de eeuwen heen is overgeleverd.


De theologiestudie heeft voor mij het idee verscherpt dat de werkelijke waarde van de Bijbel niet kan worden gevonden door te proberen te achterhalen hoe de tekst is ontstaan, maar eerder door meditatie over de tekst in het geloof dat ze - op allerlei verschillende wijzen - door God in het heden zijn gebracht. En daarbij geloof ik dat ook de "ongepolijste" tekstoverlevering bewust door God zo gewild is. Hij gaf Zijn Woord een menselijk karakter. Dit maakt de Bijbel ook een "levend" document, geen statische tekst (zoals ik eerder de visie op de Koran beschreef).


Iemand zou hier overigens kunnen tegenwerpen dat in het NT de tekst van het OT ook gelijkgesteld werd met het Woord van God: Jezus heeft het bijvoorbeeld bij de verzoeking in de woestijn over 'er staat geschreven'. Dat is inderdaad een belangrijke nuance, en moet ons aan de andere kant bewaren voor een al te menselijke visie op de Bijbel. De Bijbel die we nu hebben, is het Woord dat God ons wilde geven. 


Tegelijk bewijst de manier waarop het NT het OT citeert ook dat de apostelen zelf dit Woord als een levend iets beschouwden en niet als een statische tekst - vanwege het gebruik van de Septuaginta. Voor mij heeft deze vertaling van het OT dan ook aan waarde gewonnen, omdat het het "Oude Testament van de jonge Kerk" was (een titel die Chris Fahner aan een boekje over de LXX gaf). 

woensdag 23 september 2026

Apple TV 'Silo' en 'the greater good'




Ik keek onlangs de Apple TV serie 'Silo', en mij trof daarin de overtuigende manier waarop de druk werd uitgebeeld die kan worden uitgeoefend op mensen om ze iets ve
rschrikkelijks te laten doen zodat iets ergers daardoor wordt voorkomen. In het 'universum' van Silo is dat meest erge de "safeguard", de complete uitroeiing van alles en iedereen in een silo-leefgemeenschap.

Om een dergelijke "safeguard" te voorkomen, moet een leider van een silo wel eens een drastische maatregel nemen - een moord op deze of gene, ook als dat een geliefde betreft. Als met die ene moord de dood van tienduizend mensen wordt voorkomen, dan lijkt dat redelijk. De balans wordt ook nog extremer gesteld in de serie; twee- of drieduizend doden zijn nog steeds te prefereren als daarmee het leven en het voortbestaan van de silo wordt gewaarborgd.

Als kijker voel je aan dat met een dergelijke redenering iets niet klopt. En tegelijk snap je de overwegingen. De personen die een dergelijke beslissing moeten nemen, komen minder verdorven over zodra je weet voor wat voor dilemma's ze zijn gesteld.

Hoe dan ook is er sprake van niveau's in verdorvenheid. Wat het precieze masterplan is, dat is op dit moment nog niet volledig onthuld. Maar wel dat het geen enkele rekening houdt met mensenslevens; de mensen in de silo's zijn 'zaden', totaal geinstrumentaliseerd voor een idee over de ideale wereld van een genius met teveel geld zodat hij een atoombom kan gebruiken voor de verwerkelijking van dat idee.

In de toplaag is het 'kwaad' dus helder te definieren. Het spannende gebeurt in de laag die van deze top wel de instructies en de dreigementen krijgt, maar niet alle contextinformatie. Voor hen is dit het klassieke filosofische dilemma van de trolley. Silo geeft gevoelsmatig een antwoord op dit probleem; dat het niet juist is de enkeling onvrijwillig op te offeren voor de gemeenschap. Dat daarmee iets fundamenteel menselijks verloren gaat.

En dat terwijl de rekensom vrij eenvoudig is, zoals utilitaristen zullen stellen. En zo acteren de leiders - Bernard, en later Camille - ook. Het is niet leuk, maar het is logisch, het is het beste. De gemeenschap gaat daarmee vóór het individu, maar de meeste individuen profiteren daar ook van.

De vraag is echter wat de plaats van 'menswaardigheid' hier is. Het is de kracht van de serie dat dit probleem heel zichtbaar wordt gemaakt. En dat er uiteindelijk wel afstand móét worden genomen van dit utilitaristisch denken, zonder de garantie dat de balans in doden versus levenden gunstiger zal uitslaan. Er worden meer risico's genomen, omdat men niet langer tevreden is met de eenvoudige rekensom. Het lijkt menswaardiger te zijn om desnoods met zijn allen eervol ten onder te gaan, dan om te blijven leven door een logisch beredeneerde beslissing die alleen ánderen het leven kostte.

Ik had het gevoel dat de serie hiermee aan het mysterie raakte van wat het betekent om 'mens' te zijn, en dat elk mens een intrinsieke waarde heeft - iets wat ik zelf uit Genesis 1:27 haal, de mens is gemaakt naar het beeld van God. Voor de gemeenschap geldt niet ongekwalificeerd dat die 'meer is dan de som der delen'. Dat betekent niet dat de gemeenschap onbelangrijk is en dat we naar een hyperindividuele samenleving moeten streven, maar wel dat de gemeenschap slechts dan floreert als het de individuele mens als beelddrager van God wordt erkend en gerespecteerd. Die mens kan zich dan nog steeds ten dienste stellen (of zelfs opofferen) voor de gemeenschap. Maar nooit als instrument in handen van anderen.

zondag 20 september 2026

De gevolgen van Theologie studeren (3)

3. De Redactiegeschiedenis


"Kennis over Bijbelhandschriften, redactiegeschiedenis en geniale theologen kan ook verwarren", stelde het commentaar in het Reformatorisch Dagblad. Het aardige van deze zin is dat de "redactiegeschiedenis" zélf blijkbaar als een vaststaand feit wordt beschouwd. Op de beide universiteiten die ik heb bezocht, was dat ook zeker het geval. Of de gemiddelde Veluwse lezer van het RD eenzelfde opvatting is toegedaan, dat vraag ik me af.


Met redactiegeschiedenis wordt (in deze context) bedoeld dat de bijbeltekst zoals we die nu hebben, niet in één keer is ontstaan, maar een eindproduct is van een proces van schrijven, samenstellen en corrigeren. Een goede vergelijking als contrast is de islamitische opvatting dat de Koran een 1-op-1 kopie zou zijn van een exemplaar dat bij Allah ligt, en eenvoudigweg alleen "geopenbaard" hoefde te worden aan Mohammed.


Toen ik aan de Radboud begon, was mijn opvatting over de aard van de Godsopenbaring al enigszins beïnvloed door de interpretatie van hedendaagse Rooms-Katholieke theologen waardoor ik beter begon in te zien dat de Bijbel gegroeid is binnen de geloofsgemeenschap en daardoor ook gelézen moet worden met die geloofsgemeenschap. In Rooms-Katholiek jargon gaat het om Schrift én Traditie die de geloofsinhoud bepalen. Theorieën rond de precieze ontstaansgeschiedenis van de Bijbelteksten zijn dan niet allesbepalend voor de inhoud van het christelijke geloof.


Ook mijn persoonlijke geloofsovertuiging was daarmee niet louter afhankelijk van een bepaalde Schrift- of openbaringsvisie. Maar de reikwijdte van de wetenschappelijke redactiekritiek was een stuk groter en ingrijpender dan ik van tevoren had vermoed. Tegelijk leverde juist de worsteling met deze materie een mooie ervaring op - daar zal ik hieronder nog iets over zeggen.


De houding van de docenten OT en NT destijds met betrekking tot de schriftkritiek was professioneel. Er was oog voor de betrekkelijkheid van de gangbare bronnentheorie, en we werden daarmee aangespoord om zelf ook kritisch te kijken naar dergelijke methodes. Wat "zwaarder" viel was in algemene zin de zakelijke benadering van de Bijbeltekst. Dat was niet zozeer het "Woord van God", maar het was primair een bijzondere, oude tekst uit een lang verleden. Daarbij golden bepaalde opvattingen impliciet wel als "vaststaand", zoals dat de Exodus uit Egypte een later geschreven ontstaansmythe is voor het volk Israël.


Voor iemand die zijn oorsprong vond in de Gereformeerde Gemeenten is dat een fundamenteel andere omgang met de Schrift, en eentje die ook op gespannen voet staat met het idee dat God Zich daarin betrouwbaar openbaart. De Bijbel wordt meer een verslag van hoe mensen dachten over God, dan dat je er God in hoort spreken. Dit past ook beter bij de theologie als academische discipline, maar tegelijk is het onbevredigend. Want wanneer dit tot het uiterste wordt doorgetrokken is christelijke academische theologie niet anders dan een religiewetenschap. Ergens in de theologie ligt toch de aanname opgesloten dat de Bijbel niet alleen een verslag is van menselijk denken, maar dat dit denken ook een cruciale boodschap heeft voor vandaag - meer specifiek, dat het "heil" teweegbrengt.


Het mooie op de Radboud was dat dit punt goed te bespreken viel, en dat het ook (h)erkend werd. Het heeft mij ook wel verbaasd dat zelfs in een zeer "modern" klimaat er relatief weinig reflectie was op de vraag waaróm de Bijbel als zo'n belangrijk geschrift werd gezien. Vrijwel alle docenten namen dat aan als een gegeven feit; waarbij uiteraard verschillend werd gedacht over wát er dan belangrijk was (en wat er relevant was voor vandaag). 


Toen we een kort essay moesten schrijven over een profetie uit Daniël, liep ik erg tegen de spanning tussen Godsopenbaring en de redactiekritiek aan. Het betrof het visioen dat betrekking heeft op Antiochus Epifanes, waarbij de gangbare opvatting is dat de schrijver dit tijdens het leven van die heerser opschreef - en daarbij zowel heel precies kon weergeven hoe hij tot macht gekomen was, en tegelijk totaal missloeg als het om diens dood ging. De gangbare opvatting wil niet rekenen met de mogelijkheid van door God gegeven openbaring, maar voor het christelijk geloof is dat in mijn optiek juist cruciaal - dat God doet wat Hij eerder beloofd heeft. Ik heb lang met deze spanning geworsteld, en gepoogd om ook de gangbare opvatting ter discussie te stellen dat deze profetie van 'late datum' zou zijn. Het bijzondere was dat juist deze poging door de docent werd gewaardeerd. Voor mij is dat altijd hét voorbeeld geweest van het open en professionele klimaat op de Radboud zoals ik dat heb ervaren.


De volgende keer hoop ik nog wat verder op de rol van de Bijbel in te gaan.