dinsdag 15 september 2026

De gevolgen van Theologie studeren (2)

2. Wat is Gods wil?

"Wie wel theologie gaat studeren, doet er goed aan te onderzoeken of dat Gods wil is", haalde ik eerder aan uit het commentaar van het Reformatorisch Dagblad. Nu ik wat langer over die uitspraak nadenk, in de context van theologiestudies, valt me het ironische van de paradox op. Als er íéts is wat we tijdens de studie hebben onderzocht, zeker ook aan de TUA, is het de theologie rond Gods wil. Dus, voor het beantwoorden van de vraag die het commentaar stelt, is theologie nodig.

Juist deze manier van spreken van het commentaar was voor mij een reden om theologie te gaan studeren. Want wat wordt hier bedoeld? Onderzoeken of iets Gods wil is, waar onderzoek je dat? Hoe? En hoe kom je tot een conclusie? 

Waar: is dat de Bijbel? Waarom de Bijbel? Wat ís de Bijbel eigenlijk? En waarom leeft binnen de orthodox-gereformeerde kring de vraag nauwelijks naar het verschil tussen de inspiratie van bijvoorbeeld de NT bijbelboeken en de vorm van inspiratie die nodig was om uit de talloze geschriften de selectie van de NT bijbelboeken te maken? (Ofwel, waar in de bijbeltekst staat de lijst met bijbelboeken?)

Hoe: als we de Bijbel als bron gebruiken, hoe moeten we die dan lezen? Hoe voorkomen we dat we onze eigen ideeën laten terug-echoën uit de Bijbel? Gebruiken we commentaren, en zo ja, hoe selecteren we die en zijn we echt bereid onze eigen opvattingen te laten corrigeren door mensen die buiten ons eigen kringetje staan? Hoe laat je Gods Woord echt "eerlijk" spreken?

Conclusies: Wanneer kan je concluderen dat je Gods wil hebt begrepen? Is dat het beroemde "briefje uit de hemel", bijvoorbeeld die ene tekst die blijft haken - of begeef je je dan op glad ijs omdat je een tekst zomaar los laat zingen van zijn context? Hoe voorkom je dat je idee van Gods wil iets totaal subjectiefs wordt? Kan je nog gecorrigeerd worden door een ander?

Ik proef in de formulering van het RD commentaar iets vanzelfsprekends, dat het gaat om een "zoeken in afhankelijkheid en gebed" of iets dergelijks. Daar zit iets moois in, maar ik vind het tegelijk lastig dat het zo weinig concreet is. En uiteindelijk zou het antwoord op de vraag naar Gods wil toch wél concreet moeten zijn: je gaat theologie studeren of niet. Ik kan dat zelf slecht baseren op een subjectieve ervaring, waar die ook op gegrond is. 

Daar komt ook een bepaalde allergie bij voor mensen die anderen proberen te overtuigen van het idee dat ze zelf weten wat Gods wil is; een voorbeeld hiervan kwam recent nog naar voren in het boek van Danny Grootveld over de familie Maasbach. Zelf heb ik dit niet op zo'n extreme manier meegemaakt, maar ik vind het over het algemeen erg lastig om mijn handelen te baseren op wat een ánder als Gods wil ervaart. Ik kan zeker geloven dat mensen soms Gods leiding heel direct ervaren, en tegelijk is dat hún ervaring en niet de mijne. Vanuit mijn perspectief zie ik mensen die een bepaalde stap willen zetten in hun leven, omdat ze het idee hebben dat dat goed is om te doen. 

Maar tegelijk lees ik in de Bijbel ook regelmatig van mensen die Gods stem horen en die dat vervolgens anderen moeten vertellen. Misschien kom ik op dit onderwerp later nog terug; tijdens de studie is dit punt talloze malen onderwerp geweest van gesprek. Meer algemeen ben ik er meer van doordrongen geraakt dat een kerkelijk leerstellig kader belangrijk is, waarbinnen dan ruimte kan zijn voor individuele spirituele ervaringen. 

Hoe dan ook, bij mij groeide in ieder geval het besef en het vertrouwen dat God mij juist deze wat meer zakelijke houding gaf om er iets mee te doen. Toch ook ergens een subjectieve conclusie! Het is mij in een zeer letterlijke zin echter "niet gegeven" om daar veel bij te voelen. Ik moest dus theologie gaan studeren om meer te leren over de wil van God.

donderdag 10 september 2026

De gevolgen van Theologie studeren (1)

1. Inleiding

"Wie wel theologie gaat studeren, doet er goed aan te onderzoeken of dat Gods wil is", schreef het hoofdredactionele commentaar van het RD op 29 augustus 2026. "Een theologiestudie is namelijk verrijkend, maar niet tolvrij. Kennis over Bijbelhandschriften, redactiegeschiedenis en geniale theologen kan ook verwarren. Het kan iemand zelfs zijn geloof kosten".

De afgelopen vier jaar heb ik theologie gestudeerd, eerst 2 jaar een premaster traject aan de Radboud Universiteit, en in de 2 jaar daarna de master Herbronning Gereformeerde Theologie afgerond aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Als kind opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, maakte ik op mijn 32e de keuze om over te stappen naar de Hersteld Hervormde Kerk. Dat had alles te maken met mijn groeiende kritiek op de matige exegese in combinatie met de zeer stellige uitspraken die in mijn oude kerkverband naar mijn gevoel een klimaat schiepen waarin nauwelijks ruimte was voor een echt inhoudelijk gesprek over het geloof.

Via het internet kwam ik in aanraking met het gematigd conservatieve Rooms-Katholicisme, allereerst door video's van Robert Barron. Dat opende mijn interesse voor de meer filosofische kant van het christelijk geloof en de ontwikkeling van het christelijk denken door de eeuwen heen. Meer en meer begon ik me te verbazen over het feit dat in zoveel theologische discussies de ultieme autoriteit "de Reformatie" leek te zijn, zeker in de Nederlandse context. De kerkgeschiedenis leek in de praktijk na het NT een enorme sprong te maken naar 1517, hooguit met (delen van) Augustinus als tussenstationnetje.

Ik moet denken aan de discussies rond het aanbod van genade binnen de Gereformeerde Gemeenten die ontstonden door de publicaties van Blaauwendraad en Van der Zwaag. Allerlei uitspraken van predikanten werden vergeleken met die van de zogenaamde "oudvaders" - personen die twee eeuwen ervoor leefden. Teruggrijpen naar Calvijn in dergelijke gesprekken is al vrij extreem, terwijl diens Institutie formeel als zeer gezaghebbend wordt aanvaard. Het lijkt er op dat nog verder teruggaan niet als relevant wordt gezien.

Dat begon te wringen voor mij. Het was alsof de Reformatie niet zozeer het oude herstelde, maar een volledig nieuwe theologie "op de kaart" had gezet. Als het ware een geheel nieuwe vorm van geloof. Terwijl Luther en Calvijn zelf daar heel anders tegenaan keken, zij zagen wel degelijk een bepaalde continuïteit tussen hun eigen denken en in ieder geval de vroegere Kerk.

Ik weet dat er ook andere stemmen zijn (geweest), zeker rond de vroege kerkvaders als Augustinus en Chrysostomus is wel wat meer interesse ontstaan. Maar het blijft beperkt.

Toen zich de gelegenheid aandiende om theologie te gaan studeren aan de Radboud (zij boden een praktisch programma dat heel goed met mijn gewone baan te combineren was) was het voor mij dan ook juist géén bezwaar dat de RU een katholieke achtergrond had. Het was eerder een voordeel; de master aan de TUA werkte daarna ook weer op een bepaalde manier verbredend.

De komende tijd wil ik wat reflecties geven op mijn ervaringen in de afgelopen vier jaar: wat houdt dat nu eigenlijk in, theologie studeren? Hoe gaat dat in een postmodern klimaat? Houdt je geloof stand terwijl er fundamentele vragen worden gesteld? Maakt het uit waar je studeert?

Die reflectie zal ik doen aan de hand van de punten die ik hierboven aanhaalde uit het commentaar van het Reformatorisch Dagblad. Uiteraard zijn dat heel subjectieve ervaringen. Reageer daarom gerust, wellicht ben ik hier en daar ook te kort door de bocht en redeneer ik te simpel en het is goed om daarin gecorrigeerd te worden. En misschien heb je zelf wel een onderwerp wat je graag besproken zou zien! Hoeveel "delen" er gaan volgen weet ik in ieder geval nog niet op voorhand.

zaterdag 28 maart 2026

De Egel en het Boek


Een Paasverhaal


I

Zo'n beetje aan het einde van het feest, toen de schemering was ingevallen en Zwaan het slotlied wilde gaan zingen, ging er ineens een huivering door haar heen. Het was een prachtig feest geweest, en terecht. De oogst was goed, er was hard gewerkt, en niets is beter dan een feest na gedane arbeid. Iedereen was blij. Maar ineens overviel haar dat vreemde gevoel; dat het hún feest was, hún blijdschap, hún leven. En dat ze er zelf niet langer meer bij hoorde.

De winter naderde.

En als geen ander dier voelde Sina de Egel de intense behoefte aan rust. Ze stond op en liep geruisloos weg uit de kring in het bos, waar alles doorging zonder zich aan haar afwezigheid te storen. Achter zich hoorde ze Zwaan zijn eerste maten nog zingen, maar het geluid werd al snel gedempt door het struikgewas. Bij haar huis was het volkomen stil.

Sina opende de deur en stond een tijdje besluiteloos in de hal. Wat nam een egel eigenlijk mee als hij naar zijn rustplaats ging? Aan het haakje van de garderobe hing haar rugtas. Er zat nog allerlei overbodige rommel in die ze in een hoekje kieperde en ze klopte ook het stof er uit. Een fles water was wel handig, en iets te eten. Een lampje kon ook geen kwaad want buiten was het donker.

Ze liep naar het keukentje en rommelde in de kastjes, om maar niet aan het echte probleem te denken. Ze wikte en woog tussen wat voor koek ze zou inpakken, en hoeveel, alsof dat het belangrijkste was. Maar dat belangrijkste lag in de kamer, ze wist het heel goed; ze wílde het niet weten. Sina voelde het boek als een zware klomp ijs in haar maag liggen. Goede egels brengen hun boek op tijd netjes terug naar de bibliotheek voor de grote winterslaap. Zo waren alle egels opgevoed en zij dus ook. Vader placht het samen te vatten onder wat hij "de orde der dingen" noemde.

Ze zuchtte even en rommelde verder. Werd het een rood of een blauw flesje? Het ene lekte een beetje, het andere was misschien wat te klein. Was het echt wel zo erg met dat boek, dacht ze, misschien viel het wel mee. Problemen worden alleen maar groter als je er over piekert tenslotte.

Sina zette de flesjes op het aanrecht, liep naar de woonkamer en deed het licht aan. Op de lessenaar lag het grote boek, de koperen sloten dicht. Even streelde ze over de bruinleren kaft. Sina de Egel, las ze. Haar hand trilde een beetje toen ze de sloten openpeuterde. Laat het alsjeblieft meevallen, dacht ze. Alsjeblieft.

Ze was verstandig genoeg om wel beter te weten. Van elk blad grijnsden de vlekken, de doorhalingen, de krassen haar aan. Met trillende lip bladerde ze verder, steeds gehaaster en gejaagder. Ze dacht er niet meer aan dat ze eerst had gehoopt dat het misschien wel meeviel. Dat het niet zo erg was als ze zich had ingebeeld. Nu was ze tenslotte alleen nog maar op zoek naar een enkel blad dat netjes was. Zonder krassen of doorhalingen. Of misschien maar een enkel klein vlekje.

Resoluut klikte Sina de sloten van het boek dicht. Dit ging ze niet naar de bibliotheek brengen, nooit van haar leven. Ze wilde er niet meer aan denken. Zonder verder aarzelen liep ze naar de keuken, greep ze een fles, vulde die met water en deed hem in de rugtas met een koek er bij. In de hal pakte ze het kleine lampje, knipte het aan en zo liep Sina de Egel naar buiten. Daar draaide ze de deur op slot en hees ze de rugtas op haar rug.

II

Het was donker. Het kleine lampje verspreidde maar weinig licht op het pad dat tussen de enorme woudreuzen liep. Behalve het bonzen van haar hart in haar keel was het doodstil, en bij elke stap die ze zette voelde ze zich vermoeider worden. En schuldiger, omdat ze het boek niet had ingeleverd bij de bibliotheek.

De bibliotheek waar de weg pal langs liep. Ze zag het grote gebouw al in de verte opdoemen, een inktzwart silhouet tegen een net iets minder zwarte lucht. Met achter diverse ramen licht dat brandde, want in de bibliotheek was altijd iemand aan het werk. Sina de Egel was bang dat de hoge toegangsdeur zou worden opengegooid zodra ze er langs liep, en iemand haar achterna zou komen. "Waar is je boek?" zou die dan roepen, "waar is je boek? Heb je het wel netjes verzorgd? Geen vlekken erin? Je moet het inleveren, dat weet je toch? Waar is het? Nou?"

Ze voelde zich kleuren van schaamte. Toen ze niet ver meer van het gebouw verwijderd was, sloop ze van de weg af in het struikgewas om maar niet te worden gezien. Ze struikelde over boomwortels en schramde zich lelijk. De deur van de bibliotheek bleef gesloten, niemand leek zich om haar te bekommeren. Zodra het gebouw op veilige afstand was, sprong Sina weer op het pad en liep met dubbele haast verder. Ongeveer op de helft was ze nu, en eigenlijk zou ze wel even willen rusten om wat te drinken en te eten, maar ze gunde het zichzelf niet. Weg wilde ze, weg uit dit bos, zo ver mogelijk weg van het gebouw van de bibliotheek. Het was alsof honderden ogen beschuldigend prikten in haar rug.

De maan brak door de wolken heen toen ze de bosrand bereikte, en die deed het water van de rivier glinsteren. Ze had het gehaald, bijna tenminste. Daar, aan de overkant, was het hotel. Alleen de rivier moest ze nog over, en ze tuurde in het duister of ze de boot kon zien waarover ze had horen vertellen.
 

III

Hond en Vos zagen haar op zich afkomen, sloegen hun armen over elkaar en wachtten af tot ze bij hen stond.

"Goedenavond," zei Sina, een beetje hakkelend en buiten adem. "Is dit -"

"Het is nacht, geen avond," antwoordde Vos traag en met lage stem terwijl zijn ogen, die glinsterden in het maanlicht, haar nauwkeurig van top tot teen opnamen.

"Het holst van de nacht," vulde Hond aan. "Wat komt u doen?"

"Ja, ja," stotterde ze, "natuurlijk, nacht... het is nacht..."

Ze keek naar haar kleine lampje, dat nauwelijks nog iets hielp in het licht van de maan.

"Hond vroeg iets," zei Vos kortaf.

Sina blikte van de een naar de ander. Ze voelde zich zo moe en ze had op een dergelijk ontvangst niet gerekend. Ze haalde diep adem.

"Ik heb gehoord dat er hier iemand is om mij met een boot naar de overkant te varen, bent u dat?" 

Hond wees met zijn duim achter zich. "Wij hebben een boot, ja. En wat hebt u?"

"Wat bedoelt u?" vroeg Sina verward, en ze voelde aan haar rugtas. "Ik heb niks - niks bijzonders..."

"Je paspoort," snauwde Vos. "Dat bedoelt hij natuurlijk. Je identiteitsbewijs. Zo'n ding met rode stempels en zo. Handtekeningen. Zegels. Je denkt toch niet dat we elke willekeurige egel meenemen?"

Haar ogen werden groot. "Maar - hoe... die heb ik helemaal niet!"

Vos deed een stap naar voren, en er kwam een valse grijns op zijn gezicht. Ze zag zijn vuile tanden blootliggen. 

"Hoor je dat, Hond. Daar hebben we er weer eentje, een egeltje zonder identiteit. Zo'n egeltje dat door niemand wordt gemist als er - als er zomaar toevallig iets mee gebeurt, zo midden in de nacht. Er kan van alles met egeltjes gebeuren hoor! Vertel eens, juffie -"

Hij deed weer een stap naderbij, Sina rook z'n stinkende adem. Ze was doodsbang en Vos keek haar spottend aan. 

"Vertel eens, ik denk dat jij je boek niet hebt ingeleverd he? Teveel moeite zeker?"

Hij wreef over zijn buik. "Weet je hoe dól ik ben op egeltjes zoals jij? Waar nooit iemand meer naar vraagt als ze, zeg maar, per ongeluk kwijtraken?

Hij stak zijn poot uit, maar Sina wachtte niet op wat Vos nog meer van plan was. Ze rende weg, al struikelend, dwars door het bos terug totdat ze weer in haar kamer stond waar haar boek nog altijd lag te wachten.

IV

Ze was zo moe. Misschien lag het daar aan dat het niet lukte. Uren was ze al bezig, vlekje voor vlekje wegpoetsend met alle mogelijke middeltjes die ze in haar keuken had kunnen vinden. Het werd er meestal niet mooier van. Van sommige vlekken, die te groot waren, probeerde ze maar een tekening te maken zodat het nog wat leek. Maar terwijl ze de ene vlek wegkreeg, vloeide een letter uit omdat er een zweetdruppel op het blad was gevallen. Zweetdruppels, en later vooral tranen.

Ze was zo verschrikkelijk moe, haar hoofd zakte steeds verder naar beneden tot het ineens op het boek viel. Dat maakte het allemaal niet veel beter. Uiteindelijk stond ze op, sloot het boek en deed het in haar rugtas. De fles en de koek kreeg ze er niet meer bijgepropt, ze liet ze onaangeroerd op tafel achter. 

Toen ze haar huisdeur opnieuw sloot, was het buiten nog even donker als eerst. Opnieuw ging ze het bos in, over het pad, met haar kleine lampje, en met lood in haar schoenen en op haar rug. Bij het grote gebouw van de bibliotheek liep ze langzaam en met knikkende knieën de stenen trap op naar de grote toegangsdeur. Ze pakte de klopper, liet hem tegen het hout vallen en deed weer een stap naar achteren om af te wachten. Ze was te moe om nog te bedenken wat ze allemaal zou zeggen als haar boek werd opengedaan en ze alles zagen. 

De deur ging open en er verscheen een gedaante. Sina gilde van schrik toen ze hem zag en deed nog een stap naar achteren zodat ze met een klap van de stenen trap afviel. Wat ze had gezien in het schijnsel dat uit de hal kwam, leek wel een monster. Het was een oude egel, of tenminste, wat er van overgebleven was. Overal zag ze kale, zwerende plekken, zelfs midden op zijn hoofd, met een paar armzalige stekels er omheen als een belachelijk kroontje. Hij zag er zo afschuwelijk uit dat ze het liefst wegrende.

"Wat kan ik voor je doen?"

De kalmte en vriendelijkheid die uit zijn stem klonk, verraste Sina. Ze had een stem verwacht als die van Vos. Ze krabbelde beduusd overeind en staarde hem aan. Ook zijn ogen stonden vriendelijk, zag ze, vriendelijk en een beetje bezorgd. Of leek dat maar zo, door zijn misvormde gezicht?

"Ik - ik kom mijn boek terugbrengen..."

De Oude Egel glimlachte. "Ik ben benieuwd," zei hij. "Kom maar verder. Dan zullen we eens zien!"

Sina volgde hem het gebouw in, waar hij haar bij een balie bracht. Ze haalde de rugtas van haar schouder, tilde het boek eruit en legde het voor de Oude Egel neer. Die streelde even over de omslag en deed de sloten open. Zwijgend sloeg hij blad na blad om. Minutenlang keek Sina steeds even steels naar zijn mismaakte gezicht om te zien wat hij dacht, tevergeefs.

Tenslotte sloeg hij het boek weer dicht en keek hij Sina aan.

"Ik denk dat ik je niet hoef te vertellen dat er wel wat aanmerkingen te maken zijn op de staat van je boek, Sina, dat zal je zelf ook wel hebben gezien, toch?"

Sina knikte, er zat een enorme brok in haar keel.

"De regel is dat boeken netjes moeten worden ingeleverd, zonder vlekken, krassen of scheuren. Zal ik je het boek maar weer mee teruggeven, zodat je het kan herstellen?"

Ze keek hem aan, en er kwamen grote tranen in haar ogen. "Ik heb... ik... de hele nacht... maar het lukt niet..."

De Oude Egel knikte, sloeg het boek weer open op een bladzijde waar ze had geprobeerd iets te herstellen. "Het heeft niet zoveel geholpen allemaal," zei hij. "Ik denk ook niet dat je weet hoe het moet, eigenlijk."

Sina schudde haar hoofd.

"Wil je dat ik laat zien hoe je het kan doen?"

Ze wilde zeggen dat ze zo moe was, en dat ze hem een enge griezel vond waar ze het liefst ver vandaan bleef omdat ze bang was dat hij haar zou besmetten met de vreselijke ziekte waar hij aan leed. Maar ze wist dat ze geen andere mogelijkheid had. Ze knikte.

Hij gaf haar het boek, en ging haar voor naar de grauwe kelder van het gebouw. 

V

In de kelder stonden rijen tafels waar boeken lagen, stapels boeken zoals de hare, sommige heel dik en sommige flinterdun. Tegen de wand stonden grote rekken die volstonden met kleine glazen flesjes. Er zat een donkerrode vloeistof in.

"Egelbloed," zei de Oude Egel kalm toen hij merkte dat ze er naar keek.

Sina voelde zich misselijk worden. Dus toch! Deze afzichtelijke, monsterlijke oude egel, hij had haar naar de kelder gelokt om haar te vermoorden. Was ze maar niet zo moe, zo loom, dan rende ze weg. Maar het was niet alleen haar moeheid, ook zijn zachte stem hield haar in de kelder gevangen; die klonk alsof hij te vertrouwen was.

"Wist je dat, dat egelbloed een magische kracht heeft? Kom, leg je boek hier maar neer, dan kan je aan het werk. Er is nog zoveel te doen..."

Magische krachten, dacht Sina. Egelbloed. Ze vroeg zich angstig af in welk flesje hij haar zou laten verdwijnen. Ze legde haar boek op de tafel en de Oude Egel pakte een pincet van de plank met gereedschap. Hij gaf hem aan Sina.

"Hiermee moet je een stekel uit je vel trekken," zei hij, en hij sloeg haar boek open op de eerste bladzijde.

"Maar -" zei ze verbijsterd, "waarom - dat doet verschrikkelijk zeer!"

De Oude Egel blikte vluchtig over de kale plekken op zijn armen, en knikte langzaam. "Ik weet het, ik weet het. Maar het moet. Aan de stekel zit bloed, en met het bloed kan je deze vlekken in je boek herstellen. Het is het enige wat helpt..."

Sina keek een paar keer naar de pincet, en toen weer naar het misvormde lijf van de Oude Egel. Ze huiverde. En toen trok ze met een heftige beweging en een schreeuw van pijn een stekel uit haar lijf. Aan het puntje hing een kleine rode druppel.

"Kom, wrijf ermee op de vlek," zei de Oude Egel, en hij pakte haar hand. En tot haar verbazing zag ze de vlek verdwijnen zodra de druppel op het papier was beland. Maar nu zat er niets meer aan de stekel.

"Er zit nog bloed in het wondje waar je de stekel uitgetrokken hebt, als je hem er weer in prikt, kan je er nog wat uithalen," hielp de Oude Egel. "En als dat niet meer gaat, moet je een nieuwe stekel uittrekken."

Sina knikte, en deed ijverig wat hij zei. Maar ze was zo moe, nu ook van de pijn... Al snel werden haar oogleden zwaar en zakte haar hoofd op het boek. Ze was niet verder gekomen dan de eerste bladzijde toen ze in slaap viel. De Oude Egel glimlachte en stond op.

VI

Hij tilde Sina in zijn armen en droeg haar de trappen op naar boven, door de gangen heen, en toen naar buiten waar het donker was. Hij koos het pad naar de rivier. Naarmate hij verder kwam, hijgde hij meer en meer onder het gewicht van Sina. Zweet parelde op zijn voorhoofd, en het kwam in de open wondjes die hij in zijn gezicht had zodat er rode strepen langs zijn wangen begonnen te lopen. Maar hij zette door totdat hij bij de oever van de rivier was.

"Hond!" riep hij, "ik heb een passagier voor je!"

Van over het water kwam de boot aangevaren. Vos sprong als eerste van boord, en wees naar Sina.

"Da's er eentje zonder identiteit," zei hij. "Die heeft het net ook al geprobeerd. Kom je die voor mij terugbrengen? Bedankt, hoor!" 

Vos smekte overdreven, maar de Oude Egel gaf geen antwoord. Hond legde de boot aan en kwam er bij.

"Ja, u kan wel mee - natuurlijk, maar zij, heeft zij nu wel een paspoort? Anders kan het echt niet, u weet dat..."

"Ik ben haar paspoort en identiteit," antwoordde de Oude Egel. "Ze is van mij."

Vos snoof verachtelijk. "Ja, ja. En dat moeten we allemaal maar goed vinden zeker?"

"Maar - " vroeg Hond, "haar boek, heeft ze dat ingeleverd? Is dat allemaal goed?"

"Daar zal ik voor zorgen, dat het goed komt."

Hond schudde bezorgd zijn hoofd. "U zegt dat steeds... voor al die egels... waar haalt u al dat bloed vandaan?"

De Oude Egel keek weer even naar zijn kapotte armen. "Er is genoeg," zei hij eenvoudig. "Kom, ik wil haar graag naar haar kamer brengen."

Hond knikte en liet hem op de boot, terwijl hij Sina nog steeds in zijn armen droeg.

"Jij blijft hier, er is geen plaats voor jou," gebood de Oude Egel tegen Vos. Die spoog minachtend op de grond en mompelde een verwensing.

Hond bracht hen naar de overkant waar het hotel stond. Voorzichtig droeg de Oude Egel Sina naar boven, naar haar eigen kamertje en het bed dat daar al voor haar klaarstond. Voorzichtig stopte hij haar in, en legde even zijn hand op haar hoofd. Er lag een tevreden uitdrukking op haar gezicht, alleen wie goed keek zag nog een klein traantje.

"Ik zal je wakker maken als alles klaar is, als de winter voorbij is en het nieuwe leven verschijnt," fluisterde hij. 

VII

Het eerste ochtendrood werd zichtbaar toen de Oude Egel de bibliotheek weer bereikte. Hij dacht aan al die boeken in de kelder van de bibliotheek, aan alle pijn. Er was nog zoveel te doen... er schoot een huivering door zijn gekwelde lichaam.

Hij blikte in de richting van de rivier, waar het hotel stond met de slapende egels. Toen ademde hij diep in en liep de stenen trap op van de bibliotheek.

Ergens in het bos begon een merel te zingen.