woensdag 14 oktober 2026

De gevolgen van theologie studeren (6)

6. 'Rechtvaardiging' en de troost van Uitverkiezing

Ik ben opgegroeid binnen de Gereformeerde Gemeenten; een behoudende tak van het gereformeerde protestantisme met een heel "eigen" kleur waardoor het zich onderscheidt of probeert te onderscheiden van andere gereformeerde stromingen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten probeert men op de "juiste" manier gereformeerd te zijn, maar de Reformatie zélf is een vaststaand gegeven en staat niet ter discussie. De drie fundamentele belijdenisgeschriften uit die tijd - de Heidelberger Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis (of 'Confessio Belgica') en de latere Dordtse Leerregels - hebben een status die in de praktijk canoniek genoemd mag worden. Op diverse momenten werd er van mij gevraagd om mijn handtekening onder deze drie geschriften te zetten; tot aan de TUA toe, hoewel het daar gelukkig niet verplicht was.

Door de kennismaking met Rooms-Katholieke theologen via het internet leerde ik de Reformatie zelf te bevragen. Door het "open" en liberale klimaat op de Radboud raakte het wat op de achtergrond, docenten op de Radboud leken zich eerder te schamen voor de Roomse doctrines en kerkelijke regels dan dat ze die met verve probeerden te verdedigen. Het dichtst bij kwam nog het tekstboek dat de docent dogmatiek (zelf uit protestantse hoek, en enigszins tegen zijn zin) gebruikte: Catholic Theology van Bauerschmidt en Buckley; een boek dat ik als "warm" en positief heb ervaren voor mijn persoonlijk geloof.

Maar de echte vragen richting de gereformeerde "leer" kwamen op toen deze op de TUA onderbouwd werd. Ik wil vandaag wat dat betreft focussen op het punt van de rechtvaardiging en de uitverkiezing.
Om met dat laatste te beginnen: de uitverkiezing is een zeer bepalend dogma binnen de Gereformeerde Gemeenten - en het wordt in de praktijk niet als erg hoopvol ervaren hoewel het tegelijk wel als zodanig wordt gepresenteerd: zonder uitverkiezing zou geen mens zalig worden, want geen mens kiest sinds de zondeval immers vrijwillig voor God? Natuurlijk ontstaan er dan wel een paar vragen, die mede de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten hebben bepaald - denk aan de scheuring van 1953 - : geldt het evangelie wel voor iedereen als God sommigen verkiest en anderen niet, en Hij dat natuurlijk al van te voren heeft bepaald? En waarom zou je eigenlijk keurig al je godsdienstige plichten vervullen wanneer dat niets verandert aan je al dan niet 'verkoren-zijn'?

Die laatste kritiek wordt in preken regelmatig bestreden, ik vermoed juist ook omdat die vraag in de praktijk zeer breed leeft. Het antwoord wat daarop wordt gegeven, is dat God 'door de weg der middelen' werkt - ofwel, God 'bekeert' mensen bij voorkeur tijdens een kerkdienst, doordat iets uit de Bijbel hen raakt. Zelf heb ik kerkdiensten daardoor ervaren als een soort badwater van Bethesda (evangelie naar Johannes, hoofdstuk 5:1-9). Johannes beschrijft hoe mensen daar liggen te wachten 'tot er iets gebeurt'; een engel die het water aanroert, of, in het geval van die ene verlamde man uit het verhaal, tot Jezus arriveert. Het is in de praktijk voor dergelijke wachtende mensen heel lastig om iets positiefs te zien in de uitverkiezing.

Voor mij was het een eye-opener om te zien hoe voor Luther de gedachte van uitverkiezing persoonlijk juist een opluchting was, en ik begreep het ook. Voor iemand die voortdurend bang was om de zaligheid te verliezen door wat hij wel of niet deed, is het een verlossing om te kunnen geloven dat het alleen van Gods keuze voor hém afhing. En ik kreeg de indruk dat ditzelfde door alle gelovigen van de reformatie zo werd ervaren: de zaligheid lag voor hen vast, die konden ze niet verliezen, want God had hen uitgekozen. Twijfel rond de vraag óf God hen wel had uitverkoren speelde volgens mij niet of nauwelijks. Mijns inziens komt dit omdat een idee als 'uitverkiezing' werd verbonden met een zeer groot Godsvertrouwen.

Maar, juist ook omdat ikzelf vanuit mijn jeugd helemaal niet zo'n positief gevoel had bij de uitverkiezing, begon ik me af te vragen of de theologie die destijds voor gelovigen een opluchting was in zichzelf wel voldoende in balans is. Of was er toen een wissel omgezet die aanvankelijk een probleem oploste maar tegelijk de geloofspraktijk op de langere duur eenzijdig maakte?

De uitverkiezing door God komt tot uiting in de tijd door de 'bekering': een ongelovige mens gaat geloven in God. Deze bekering wordt omschreven als een 'eenzijdig Godswerk'. Startpunt van zo'n bekering is de 'rechtvaardiging'. Over deze rechtvaardiging moesten we op de TUA een hoofdstuk bestuderen uit het werk Iustitia Dei van McGrath, het deel dat gaat over visie van de Reformatie. Belangrijke vraag in zijn boek is of 'rechtvaardiging' betekent dat God de mens als rechtvaardig beschóúwt (ondanks zijn zondigheid), of dat Hij de mens rechtvaardig máákt.

De Reformatie legde de nadruk op het eerste. God verkiest een mens, en beschouwt hem/haar als rechtvaardig vanwege de 'vreemde' (in de zin van, 'externe') gerechtigheid van Christus. De mens wordt dus zalig omdat Christus rechtvaardig is, niet omdat de mens rechtvaardig is, of zelfs rechtvaardig wórdt.

Een dergelijke gedachte heeft aantrekkelijke elementen, en kan ook wel in de Bijbel worden teruggevonden. Toch, en zeker terugkijkend vanuit de praktijk van vandaag, zie ik ook de lijdelijkheid en passiviteit om de hoek staan. Het boek van McGrath laat zien dat de discussie over de betekenis van 'rechtvaardiging' al breder speelde. Breed leefde het idee dat de rechtvaardiging ook betekenis had voor het menselijk leven zélf. Binnen de Reformatie sprak men over de 'heiliging' van de mens.

En precies op dát punt ervoer ik dat er een vreemde spanning zit in het gereformeerde denken. De heiliging wordt daar namelijk niet beschouwd als iets 'verdienstelijks', maar als een 'vrucht', een 'bewijs', van de rechtvaardiging - en dus van de uitverkiezing. Dat klinkt logisch; wat niet zo logisch is, is dat bij alle passiviteit rond de uitverkiezing en rechtvaardiging dít aspect van de heiliging namelijk juist níét passief wordt uitgewerkt. Bij John Owen las ik tijdens de TUA colleges de uitspraak "If you do not kill sin, it will kill you". Ik stelde de vraag hoe dat kon, 'gedood' worden door de zonde als je uitverkoren was? Als de heiliging niet wezenlijk bijdraagt aan de rechtvaardiging, aan het zalig-worden, waarom wordt er dan zo de nadruk op gelegd?

Mijn probleem lag niet bij die nadruk, overigens. Want die is haast in elk bijbelvers terug te vinden. Mijn probleem ligt in de inhoudelijke ontkoppeling van de rechtvaardiging en de heiliging. Dan kan het dus gebeuren, wat ook werkelijk zo was, dat tijdens een college over de hel en het laatste oordeel studenten tot hun verrassing moesten concluderen dat Jezus in Mattheus 25 de mensen niet zaligspreekt omdat ze zijn uitverkoren en door God, ondanks hun zonden, als rechtvaardig worden beschouwd - maar dat ze zalig worden gesproken om wat ze hebben gedáán.

Met andere woorden, de mens is rechtvaardig naar de mate waarin hij geheiligd is; en wat de mens dóét bepaalt haar of zijn bestemming. Dat is mijns inziens een heel andere insteek dan heiliging zien als 'vrucht' op de rechtvaardiging. Er is niets vanzelfsprekends aan de heiliging. Het kost moeite, aandacht en toewijding; zó beschouwd wordt het hét doel van het christelijke leven - zoals bisschop Barron het formuleert: "The ordinary goal of the christian life is to be a saint. It is the purpose of every sacrament, to draw us into the divine life in such a way that we can say with saint Paul: It is no longer I who live, it is Christ Who lives in me; in my behaviours, yes, and in my heart."

Het doel van het christelijke leven is dus niet om de vraag 'ben ik uitverkoren' beantwoord te krijgen!
Mijn probleempunt met de heiliging werd op de TUA overigens niet erg goed herkend; het is zeker mogelijk dat dat komt omdat ik bepaalde zaken zelf (nog) onvoldoende doorgrond. Het boek van McGrath heeft me ook wel laten inzien dat de discussie rond de rechtvaardiging en de heiliging een historisch gezien complex onderwerp is. Tegelijk maakte het boek duidelijk dat mijn vraag geen bijzaak is. Het enige wat ik nu kan concluderen is dat de argumentatie voor de rechtvaardiging als slechts de manier waarop God ons beschouwt, los van wie we zijn, mij met meer vragen achterliet dan wat ik meekreeg van de huidige Rooms-Katholieke visie.

En tegelijk begrijp ik Luther nu beter. Want het geloof dat uiteindelijk álles uit Gods hand komt, is een enorme bevrijding voor iemand die denkt dat hij alles zelf moet doen; zeker als dit door de kerkelijke omgeving tot in het extreme wordt benadrukt. Maar zo iemand zal ook niet zo snel in passiviteit vervallen. Of zijn ideeën rond Gods soevereiniteit voor mensen uit de Gereformeerde Gemeenten vandaag de dag hetgene zijn wat ze het meeste nodig hebben, waag ik echter te betwijfelen. Wat voor Luther hoopvol was, is voor hen vaak een bron van wanhoop geworden.

Wie tenslotte een korte introductie wil tot de thematiek uit het boek van McGrath over Iustitia Dei, kan ik dit (oudere) artikel van hem aanbevelen. 

woensdag 7 oktober 2026

De gevolgen van theologie studeren (5)

5. Niet tolvrij


"Een theologiestudie is namelijk verrijkend, maar niet tolvrij", schreef het commentaar in het Reformatorisch Dagblad. "Het kan iemand zelfs zijn geloof kosten".

Zowel het verrijkende aspect als de tol heb ik aan de lijve ondervonden. En ik heb van nabij gezien dat het inderdaad iemands geloof kan kosten. (Overigens - nu ik even nadenk over dit zinnetje in het Reformatorisch Dagblad, blijkbaar kan volgens de commentator iemand zijn of haar geloof verliezen. Achter die gedachte ligt een complex theologisch mijnenveld. Kan iemand ook het wáre geloof verliezen? En als dat niet zo is, hoe erg is het in feite als mensen schijngeloof kwijtraken? -- dit terzijde!)

Daarbij is er volgens het RD blijkbaar een glijdende schaal, waarbij het verlies van het geloof het dieptepunt is. Kortgezegd, een theologiestudie heeft blijvende effecten op de student - positief en negatief. Vandaag wil ik daar wat op reflecteren vanuit mijn eigen ervaring en de waarneming van de ervaringen van anderen.

Een theologieopleiding heeft niet hetzelfde effect op elke student, ook al is de stof hetzelfde en worden dezelfde opvattingen ter discussie gesteld. Het verschil kan zo groot zijn dat de ene student het christelijk geloof vaarwel zegt, terwijl de ander, opgegroeid zonder christelijke achtergrond, juist geïnteresseerd raakt. Wat een student zelf aan vragen en levenshouding meebrengt is daarbij zeer bepalend; en zeker ook de vraag of 'God' voor een student een belangrijk theologisch concept is, of een doorleefde realiteit.

Toen ik begon aan de Radboud, werd in de eerste les ons de vraag gesteld welk verhaal of welk gedeelte we zelf uit het Oude Testament zouden schrappen als we die mogelijkheid hadden. Ik zat achterin en was als één van de laatsten aan de beurt. Verhalen als het offer van Abraham, de uitroeiing van volkeren en dergelijke kwamen langs. Toen was een jongen aan de beurt die 2 Timotheus 3:16 aanhaalde: "Alles wat de Schrift zegt, is door God geïnspireerd" (NBV21). Niets mocht uit de Bijbel geschrapt worden, het was het Woord van God. Hij was de enige die deze stelling innam; ook ik deed dat niet. 

Twee maanden later nam hij volledig afstand van het christelijk geloof, mede door de nieuwe inzichten die hij tijdens de colleges OT en NT had opgedaan.

Nee, de opleiding theologie is niet tolvrij. Het is een opleiding die kritisch kijkt naar de zaken die voor een christen fundamenteel zijn. En daarom is het des te belangrijker om te weten wát er fundamenteel is voor je, en of dat wel terecht is. De jongen uit het voorbeeld hierboven fundeerde zijn geloof volledig op een bepaalde Schriftvisie. Een visie die sympathiek overkomt, en tegelijk zeer kwetsbaar is: een absolute versie van het Sola Scriptura. Wanneer dan de Schrift minder goddelijk blijkt te zijn dan je dacht, verliest het als geheel zijn waarde en stort het geloofshuis dat op dat fundament stond, ook in. Zeker een geloof dat gebaseerd is op ideeën en concepten is daar gevoelig voor. Want geen theologisch concept is per definitie veilig.

Wat dat betreft wil ik ook wijzen op het verschil tussen studeren aan de Radboud en aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Wanneer je als behoudende christen gaat studeren aan een liberale universiteit zoals de Radboud, ben je van te voren voorbereid dat men daar totaal anders over de zaken denkt dan je gewend bent. Binnen de groep van je jaargenoten kom je een enorme breedte aan opvattingen over van alles en nog wat tegen, en datzelfde geldt voor de docenten. Het is dan vrij eenvoudig om te denken "dat is hun mening" wanneer je iets hoort wat ingaat tegen wat je gewend bent. Dit wordt nog makkelijker als er binnen je groep rond hetzelfde thema vier verschillende opvattingen zijn. De jouwe is simpelweg de vijfde.

Wanneer je echter in een omgeving zit die veel dichter aansluit bij de cultuur waarin je bent opgegroeid, en er ook minder diversiteit aan opvattingen is, komen inzichten die afwijken van wat je gewend bent, harder aan. Stel dat je op de Radboud voor het eerst hoort dat een groot deel van de NT brieven wel Paulus' naam dragen maar niet van hem zijn, dan valt dat mentaal gezien in hetzelfde bakje als de bewering dat het evangelie van Thomas eigenlijk opgenomen had moeten worden in de canon. Kortom, een mening die met argumenten kan worden verdedigd en met argumenten kan worden bestreden, niets meer of minder dan dat. Wanneer echter de predikant uit je naburige behoudende gemeente in zijn functie als docent vertelt dat zelfs Calvijn twijfelde over het auteurschap van de tweede Petrusbrief, dan is dat gevoelsmatig van een andere orde.

Daarom denk ik niet dat studeren aan de Radboud persé "gevaarlijker" is voor iemands geloof dan studeren aan de TUA. Beide studies zullen bepaalde zekerheden ter discussie stellen; maar aan de TUA kan dit voor een gereformeerd opgegroeide student "dichterbij" komen.

Er is overigens niet alleen "gevaar". Juist op de Radboud heb ik voorbeelden gezien van respect voor de Bijbel, zo was er een echt niet al te conservatief denkende Rooms-Katholieke medestudent die aangaf altijd éérst te bidden voor hij aan een exegese paper ging werken. Omdat hij besefte dat hij ging nadenken over het Woord van God. Ook hadden we als studenten open, respectvolle gesprekken. Op de Radboud heb ik gemerkt dat het christelijk geloof geen "misvatting" is, zoals Richard Dawkins vroeger meende, het is alleszins redelijk. Sterker nog, één student die ik tegenkwam op de Radboud was vanwege puur filosofische argumenten tot de overtuiging gekomen dat het christelijk geloof redelijker was dan het atheïsme.

Maar voor een studie theologie moet je wel bereid zijn om ideeën te onderbouwen. En ter discussie te stellen. Wanneer een studie theologie geen effect heeft op het persoonlijke geloof, kan de vraag worden gesteld of er wel gestudeerd is. 

Ik heb het tot dusver alleen nog gehad over de 'verstandelijke' kant van het geloof. Maar ik heb ook studenten ontmoet die met een diepe Godservaring aan de opleiding waren begonnen. Zij waren in staat om een brede interesse in theologische onderwerpen te combineren met een "kinderlijk" geloofsvertrouwen; ik las een dergelijke houding ook terug in wat Bram van de Heuvel onlangs zei in verband met zijn promotie, "Ik ben een vrij simpel mens en heb een kinderlijk geloof. Dat is een gave, want ik weet dat anderen wel te kampen hebben met veel twijfel." Ik ben er van overtuigd dat studenten die God hebben ervaren in hun leven, en de band met God dagelijks ervaren, dit niet snel zullen kwijtraken.

Mijn geloof is wat meer verstandelijk van aard, en naar mijn idee daardoor kwetsbaarder. Één effect van de opleiding is dat ik een stuk terughoudender geworden wanneer mensen spreken over hun geloofservaringen, en ervaar ik zelf ook minder omdat het lastiger is geworden om me daarvoor "open" te stellen. Dit komt omdat de theologiestudie rationeler leert kijken naar geloof en geloofsuitingen. Dit zou ik als een wat meer 'negatief' effect van de theologieopleiding willen duiden.

Aan de andere kant is het fundament van het geloof - dat er een God is, dat Jezus "God geopenbaard in het vlees is" - voor mij alleen maar steviger geworden; hoewel deze zaken nauwelijks "bewezen" kunnen worden, geldt dat voor de alternatieven evenzeer en kies ik zeer van harte voor het christelijke narratief als de beste en de meest hoopvolle verklaring en richting van het menselijk bestaan. De theologieopleiding heeft mij laten zien dat voor een dergelijke houding goede argumenten zijn, een positief effect dus.

Meer op detailniveau heeft de opleiding mij inzicht gegeven in het spanningsveld tussen Rome en Reformatie, en heeft het mijn eigen opvattingen hieromtrent gevormd. Ik hoop daar in de komende weken - toepasselijk, zo richting 31 oktober - meer over te schrijven.

Misschien ben je trouwens benieuwd wat mijn antwoord was op de vraag wat ik uit het OT zou schrappen. Ik antwoordde dat ik niet gewend was om te bedenken wat ik zou schrappen uit de Bijbel; maar dat ik wel gewend was aan een Bijbel die sommige dingen uit míjn leven wilde schrappen.

woensdag 30 september 2026

De gevolgen van theologie studeren (4)

4. Sola Scriptura


De vorige keer heb ik het gehad over de wetenschappelijke blik op de Bijbel. Nu wil ik het meer hebben over wat dit deed met mijn visie op de Bijbel als het Woord van God.


Ik ben opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, en heb van jongsaf een isgelijk-teken leren plaatsen tussen de Bijbel en het Woord van God. Het één was een synoniem voor het andere - zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de manier waarop het RD deze week een uitspraak van ds. De Heer weergeeft: [https://www.rd.nl/artikel/ds-de-heer-bijbel-sinds-genesis-3-niet-meer-veilig-bij-de-mens] "Bijbel sinds Genesis 3 niet meer veilig bij de mens" (ik dacht, de Bijbel is ontstáán vanwege Genesis 3, en bestond daarvoor en zelfs lange tijd daarna nog niet; ds. De Heer had het over "Gods Woord", en dat is uiteraard correct).


Een adagium als Sola Scriptura was voor mij dan ook bekend en logisch. Als het Woord van God de Bijbel was, dan ging daar niets boven en was dat voldoende. Tegelijkertijd ontstond de paradox dat de Bijbel en de theologische opvattingen van de Gereformeerde Gemeenten naar mijn opvatting wat op gespannen voet stonden, vooral daar waar het gaat over de 'heilszekerheid' (kortgezegd, ben je gered of niet, ga je naar de hemel of naar de hel). En ik was niet de enige; ik noem slechts Blaauwendraad en Van der Zwaag. Er was rond dit onderwerp een bredere discussie tussen mensen die het over één punt wel eens waren: De Bijbel had gelijk.


En dat gold ook voor mijn persoonlijk geloof; ik vond antwoorden op de vraag rond het heil in de Bijbel en was daarmee tevreden. En omdat de Gereformeerde Gemeenten mijns inziens te ver van de Bijbel waren afgedwaald, ben ik daar uiteindelijk ook vertrokken. De Bijbel was voor mij het eindpunt.


Vragen rond het Sola Scriptura stelde ik toen nog niet - dat kwam na verdere reflectie op de vraag wie er in het theologische landschap 'gelijk' heeft wanneer de Bijbel wordt uitgelegd, en ook op de vraag wat dat eigenlijk is, 'de' Bijbel. In mijn jeugd was de Bijbel niet alleen synoniem met Gods Woord, maar ook met de Statenvertaling. Door een studie Hebreeuws begon dat te veranderen. Vanuit Rooms-Katholieke hoek kreeg ik daarbij meer oog voor het begrip 'traditie', en de waarde van een Kerk die over de Bijbeluitleg en de theologie waakt.


Rond die tijd ging ik aan de Radboud studeren, en één van de eerste vakken was Exegese NT waarbij we een boek gebruikten van Bart Ehrman die uitlegde hoe een wetenschappelijke editie van het griekse NT (NA28) is opgebouwd: van elk vers is de meest waarschijnlijke grondtekstvariant opgenomen, maar als geheel is er geen enkel papyrus dat overeenkomt met de NA28. De autografen, de oorspronkelijke handschriften, zijn namelijk verloren gegaan.


Daarbij moet, in tegenstelling tot wat een kreet als Sola Scriptura lijkt te pretenderen, de Bijbeltekst altijd door een interpretatieslag heen. Er is tegenwoordig meer aandacht voor deze 'ontvangst'kant van teksten in het algemeen (zie bijvoorbeeld het recente gesprek met ds. T. Bakker over hermeneutiek), en daarmee is er ook meer oog voor de gedachte dat de Bijbeltekst kan 'werken' tijdens het lezen. De vraag is dan wel waar de normativiteit ligt: bij de tekst zelf, of bij de individuele interpretatie? 'Sola Scriptura' pretendeert dit geheel bij de tekst te leggen - en dat klinkt solide, maar de vraag is of het in de praktijk kan. En of de veelkleurigheid van het protestantisme geen bewijs is van het eigen ongelijk op dit vlak.


Het is juist op de TUA dat dit onderwerp aan de orde kwam, toen we het boek 'Geestspraak' van H. van den Belt bespraken. Die merkt op dat Gods Geest niet alleen het schrijven van de Bijbelteksten inspireerde, maar ook het lézen en het trekken van conclusies uit de bijbeltekst inspireert. Voor Van den Belt is een belangrijke 'leesregel' dat de Bijbel met de 'Kerk van alle tijden en plaatsen' wordt gelezen. Voor mij is dit een cruciale gedachte, die ik misschien nog wel wat verder doortrek dan Van den Belt doet. Ik ben er nog niet helemaal over uit of de Bijbel primair het boek is van de christelijke gemeenschap, of dat de christelijke gemeenschap voortkomt uit de Bijbel; maar het is een feit dat voor de eerste opvatting zeker zinnige argumenten zijn.


Het Sola Scriptura dat ik in mijn jeugd meekreeg als een soort gouden standaard die we dankzij de Reformatie verwierven, vind ik daarmee echt problematisch (en ik ben dus niet de enige). Het is niet vol te houden wanneer je ook maar enige kennis hebt van de Bijbel en de kerkgeschiedenis. In kerkelijke kringen toch blijven spreken van het Sola Scriptura, in het bijzonder wanneer dit exclusief wordt verbonden aan de Statenvertaling, komt wat mij betreft in de buurt van misleiding.


Daarnaast ben ik nog kritischer gaan kijken naar exegetische 'vondsten' van relatief recente datum, in het bijzonder als deze Israël of de eindtijd (vanuit Openbaringen) betreffen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de bedelingenleer van Darby en bepaalde opvattingen rond het duizendjarig rijk. Deze "dispensationalistische" theologie leunt heel sterk op het Sola Scriptura (en daarom was ik er aanvankelijk ook wel van gecharmeerd); ik verwijs hier als voorbeeld naar het boekje 'De bijbel én de belijdenis? Over biblicisme en bijbellezen' van J. Fijnvandraat, waar de schrijver zichzelf als 'biblicist' beschouwt. Juist de rol van de traditie, die Fijnvandraat onderwaardeert, zorgde ervoor dat ik kritisch werd op de inzichten van deze stroming. Die inzichten van een enkeling, die geen basis hadden in de hoofdstroom van de kerkgeschiedenis, worden overgewaardeerd zonder dat voldoende wordt verdisconteerd dat elke exegese een tijdgebonden, gekleurde interpretatie is. Een theologie die niet is geworteld in de Kerk 'van alle tijden en plaatsen' kreeg voor mij minder autoriteit, al is het altijd mogelijk ervan te leren.


Om dezelfde reden ben ik ook kritischer gaan kijken naar de exegese van de Reformatie. In een bepaald gedeelte uit de Institutie van Calvijn waarin hij een paar verzen uit 1 Korinthe 3 bespreekt, stelt hij onomwonden dat hij het beter weet dan de kerkvaders - en die schuift hij vrij makkelijk aan de kant. In een onderzoek dat ik deed vergeleek ik zijn houding met die van Benedictus XVI die met betrekking tot hetzelfde gedeelte een veel meer luisterende houding aanneemt en de hele uitleggeschiedenis van het gedeelte verdisconteert in zijn eigen opvatting. Dat is wat mij betreft de manier om te voorkomen dat je eigen geniale inzicht het startpunt wordt van een nieuwe dwaling; de traditie moet op zijn minst fungeren als vangrails. (Overigens hecht ik eraan op te merken dat ik geen oordeel vel over Calvijns houding richting de kerkvaders in het geheel van zijn werken - die houding zal ongetwijfeld genuanceerder zijn, ik heb daar geen studie naar verricht. Het gaat mij hier om dit specifieke geval rond 1 Korinthe 3.)


Op een heel ander vlak ben ik ook terughoudend geworden: de theologische waarde van het brontekstonderzoek, in het bijzonder dat van het Nieuwe Testament. Ik zou graag enige scheiding aan willen brengen tussen het onderzoek naar de oudste variant(en) van het NT, en de vraag welke tekst gezag heeft binnen de Kerk. Er is nu een tendens om hoe dan ook de oudste tekst het meeste gezag toe te kennen, maar dat betekent dat het 'echte' Woord van God blijkbaar in verloren gegane autografen staat, en dat we steeds dichter bij dit oorspronkelijke Woord van God komen wanneer we maar harder ons best doen het origineel te reconstrueren. Een dergelijke gedachte minimaliseert het werk van de Heilige Geest bij de overlevering van de tekst, en dat vind ik bezwaarlijk omdat het naar Gods wil lijkt te zijn om Zijn Woord een menselijk karakter te geven.


Voor de Kerk is het 'terugvinden' van de meest oorspronkelijke tekst dus niet van cruciaal belang. En het lange slot van Markus is geen fout, het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes evenmin. Dat neemt niet weg dat het academisch onderzoek naar deze teksten wel degelijk van waarde kan zijn, omdat het licht kan werpen op de betekenis van bepaalde passages. Maar er is het risico dat de drang naar het vinden van de meest oorspronkelijke tekst van die tekst een soort Koran maakt, die dan 'ongeschonden' uit de hand van God zou zijn gekomen en daarna alleen maar is bezoedeld door overschrijffouten. Een term als 'Sola Scriptura' versterkt een dergelijke gedachte.


Ik ben geen moslim en geloof niet primair in een boek, zeker niet in een boek dat God volmaakt liet schrijven om het onmiddellijk daarna verloren te laten gaan. Ik geloof in een levend Woord, dat door de Geest werkt in de Kerk. Een recent gevonden oud manuscript kan voor mij daarom niet de tekst overtroeven die door diezelfde Geest door de eeuwen heen is overgeleverd.


De theologiestudie heeft voor mij het idee verscherpt dat de werkelijke waarde van de Bijbel niet kan worden gevonden door te proberen te achterhalen hoe de tekst is ontstaan, maar eerder door meditatie over de tekst in het geloof dat ze - op allerlei verschillende wijzen - door God in het heden zijn gebracht. En daarbij geloof ik dat ook de "ongepolijste" tekstoverlevering bewust door God zo gewild is. Hij gaf Zijn Woord een menselijk karakter. Dit maakt de Bijbel ook een "levend" document, geen statische tekst (zoals ik eerder de visie op de Koran beschreef).


Iemand zou hier overigens kunnen tegenwerpen dat in het NT de tekst van het OT ook gelijkgesteld werd met het Woord van God: Jezus heeft het bijvoorbeeld bij de verzoeking in de woestijn over 'er staat geschreven'. Dat is inderdaad een belangrijke nuance, en moet ons aan de andere kant bewaren voor een al te menselijke visie op de Bijbel. De Bijbel die we nu hebben, is het Woord dat God ons wilde geven. 


Tegelijk bewijst de manier waarop het NT het OT citeert ook dat de apostelen zelf dit Woord als een levend iets beschouwden en niet als een statische tekst - vanwege het gebruik van de Septuaginta. Voor mij heeft deze vertaling van het OT dan ook aan waarde gewonnen, omdat het het "Oude Testament van de jonge Kerk" was (een titel die Chris Fahner aan een boekje over de LXX gaf).