maandag 19 oktober 2026

De gevolgen van Theologie studeren (7)

7. Verbondenheid en bescheidenheid


Op het eerste deel van deze serie kreeg ik een reactie, die ik even in mijn eigen woorden samenvat: hoe verhoudt theologie studeren zich tot het feit dat de eerste apostelen voor een deel ongeletterde vissers waren?


Een vergelijkbare vraag werd ds. Kersten, de oprichter van de Gereformeerde Gemeenten in 1907, gesteld toen die een eigen predikantsopleiding wilde (de huidige school aan de Boezemsingel in Rotterdam). De school zou 'fabrieksdominees' opleveren, was het verwijt.


Het antwoord hierop moet mijns inziens genuanceerd zijn. In deze 'aflevering' wil ik benadrukken wat het belang is van een goede opleiding, maar dat het belang van opleiding binnen de christelijke kerk ook kan worden gerelativeerd, hoop ik later nog te benoemen.


Afgelopen week stuurde iemand met wie ik studeerde aan de Radboud mij een podcast op, en de manier waarop dat gesprek werd gevoerd deed me beseffen waar de waarde van een theologiestudie in zit. Het betreft dit gesprek tussen Elbert Pogosjan met Florens van der Spek en Jordy Loendersloot. De inhoud van het gesprek is hier even minder van belang, daar kom ik misschien later nog op terug; het gaat me over de manier van argumenteren; interessant is namelijk dat hetzelfde onderwerp is bediscussieerd tussen Elbert en dr. P. de Vries.


Florens heeft, aan zijn LinkedIn profiel te zien, een hoveniersopleiding gedaan. Jordy deed bestuurskunde in Tilburg. Elbert heeft oa een master in christelijke theologie behaald in Tilburg (concludeer ik uit wat Chris Verhagen zei). Daarmee beschouw ik Elbert als theologisch opgeleid, Florens en Jordy niet.


Dat verschil is goed te merken; Florens en Jordy vervallen met regelmaat in een soort tale kanaäns, zonder ooit echt diep te gaan - zoals het voortdurende herhalen van de uitdrukking 'het Woord recht snijden'. Ik kreeg het gevoel dat Florens een bepaald arsenaal aan oneliner-achtige argumenten heeft, dat hij op straat gebruikt en simpelweg opnieuw afdraaide bij Elbert. Toen Elbert heel even verwees naar kerkvaders (1:12:47), reageerde Florens direct dat we 'niemand onze vader' moeten noemen; alsof dat een voorgeprogrammeerde reactie was die in zijn hoofd werd getriggerd. Voeg daarbij Florens' haast kinderlijke reactie op de suggestie van Elbert dat zijn opvattingen sterk calvinistische trekken hebben (wat theologisch gezien zeker juist was).


Voor Pogosjan was, hoewel hij dat in het gesprek met Florens en Jordy niet echt verder uitwerkte, het beroep op de kerkvaders wel inhoudelijk van belang: hij probeerde ermee aan te geven dat hij zijn opvatting niet zelf had 'bedacht', maar dat die 'oude papieren' zou hebben. Oftewel, voor Elbert is het van belang om verbinding te zoeken met de theologie van de Kerk der eeuwen.


Florens en Jordy hebben voldoende aan hun eigen manier van bijbellezen; en hoewel ze instemden met Elberts opmerking dat we allemaal beïnvloed zijn door de tijdgeest en onze omgeving, blijkt niet dat hen dat voorzichtiger maakt. Florens en Jordy zijn, wat bijbelinterpretatie betreft, uiteindelijk hun eigen leergezag.


Ik keek na dit gesprek het debat tussen Elbert en dr. P. de Vries; en hoewel De Vries evenzeer gelooft in de volharding der heiligen als Florens en Jordy, begrijpt De Vries waar de knelpunten zitten en wil ook hij aansluiten bij de theologie, in het bijzonder dan die van Augustinus en de Reformatie. Van alle vier komt De Vries het minst drammerig over, en dat terwijl hij tegelijk zondermeer het hoogst geschoold is in de theologie.


Mijn conclusie, op basis van deze twee video's, was dan ook dat theologie studeren helpt om de grenzen te ontdekken van wat we met stelligheid kunnen beweren; met andere woorden, studeren maakt je voorzichtiger. Je leert de argumenten van tegenstanders waarderen. Florens en Jordy zijn een voorbeeld van het Dunning-Kruger effect: ze weten een beetje van theologie en denken vervolgens álles te weten. Nogal een contrast met Socrates, waaraan de uitspraak wordt toegeschreven "Het enige dat ik weet, is dat ik niets weet".


Hieraan verbonden is het feit dat theologie studeren je gevraagd en ongevraagd confronteert met meningen uit de kerkgeschiedenis. Je leert je verhouden tot wat ánderen beweerd hebben over de Bijbel en de theologie. Je komt erachter dat je eigen ideeën vaak niet zo uniek zijn of geniaal als je aanvankelijk dacht. En je leert het waarderen wanneer je gebruik kan maken van het denkwerk van de 'groten' uit de voorbije eeuwen.

 

woensdag 14 oktober 2026

De gevolgen van theologie studeren (6)

6. 'Rechtvaardiging' en de troost van Uitverkiezing

Ik ben opgegroeid binnen de Gereformeerde Gemeenten; een behoudende tak van het gereformeerde protestantisme met een heel "eigen" kleur waardoor het zich onderscheidt of probeert te onderscheiden van andere gereformeerde stromingen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten probeert men op de "juiste" manier gereformeerd te zijn, maar de Reformatie zélf is een vaststaand gegeven en staat niet ter discussie. De drie fundamentele belijdenisgeschriften uit die tijd - de Heidelberger Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis (of 'Confessio Belgica') en de latere Dordtse Leerregels - hebben een status die in de praktijk canoniek genoemd mag worden. Op diverse momenten werd er van mij gevraagd om mijn handtekening onder deze drie geschriften te zetten; tot aan de TUA toe, hoewel het daar gelukkig niet verplicht was.

Door de kennismaking met Rooms-Katholieke theologen via het internet leerde ik de Reformatie zelf te bevragen. Door het "open" en liberale klimaat op de Radboud raakte het wat op de achtergrond, docenten op de Radboud leken zich eerder te schamen voor de Roomse doctrines en kerkelijke regels dan dat ze die met verve probeerden te verdedigen. Het dichtst bij kwam nog het tekstboek dat de docent dogmatiek (zelf uit protestantse hoek, en enigszins tegen zijn zin) gebruikte: Catholic Theology van Bauerschmidt en Buckley; een boek dat ik als "warm" en positief heb ervaren voor mijn persoonlijk geloof.

Maar de echte vragen richting de gereformeerde "leer" kwamen op toen deze op de TUA onderbouwd werd. Ik wil vandaag wat dat betreft focussen op het punt van de rechtvaardiging en de uitverkiezing.
Om met dat laatste te beginnen: de uitverkiezing is een zeer bepalend dogma binnen de Gereformeerde Gemeenten - en het wordt in de praktijk niet als erg hoopvol ervaren hoewel het tegelijk wel als zodanig wordt gepresenteerd: zonder uitverkiezing zou geen mens zalig worden, want geen mens kiest sinds de zondeval immers vrijwillig voor God? Natuurlijk ontstaan er dan wel een paar vragen, die mede de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten hebben bepaald - denk aan de scheuring van 1953 - : geldt het evangelie wel voor iedereen als God sommigen verkiest en anderen niet, en Hij dat natuurlijk al van te voren heeft bepaald? En waarom zou je eigenlijk keurig al je godsdienstige plichten vervullen wanneer dat niets verandert aan je al dan niet 'verkoren-zijn'?

Die laatste kritiek wordt in preken regelmatig bestreden, ik vermoed juist ook omdat die vraag in de praktijk zeer breed leeft. Het antwoord wat daarop wordt gegeven, is dat God 'door de weg der middelen' werkt - ofwel, God 'bekeert' mensen bij voorkeur tijdens een kerkdienst, doordat iets uit de Bijbel hen raakt. Zelf heb ik kerkdiensten daardoor ervaren als een soort badwater van Bethesda (evangelie naar Johannes, hoofdstuk 5:1-9). Johannes beschrijft hoe mensen daar liggen te wachten 'tot er iets gebeurt'; een engel die het water aanroert, of, in het geval van die ene verlamde man uit het verhaal, tot Jezus arriveert. Het is in de praktijk voor dergelijke wachtende mensen heel lastig om iets positiefs te zien in de uitverkiezing.

Voor mij was het een eye-opener om te zien hoe voor Luther de gedachte van uitverkiezing persoonlijk juist een opluchting was, en ik begreep het ook. Voor iemand die voortdurend bang was om de zaligheid te verliezen door wat hij wel of niet deed, is het een verlossing om te kunnen geloven dat het alleen van Gods keuze voor hém afhing. En ik kreeg de indruk dat ditzelfde door alle gelovigen van de reformatie zo werd ervaren: de zaligheid lag voor hen vast, die konden ze niet verliezen, want God had hen uitgekozen. Twijfel rond de vraag óf God hen wel had uitverkoren speelde volgens mij niet of nauwelijks. Mijns inziens komt dit omdat een idee als 'uitverkiezing' werd verbonden met een zeer groot Godsvertrouwen.

Maar, juist ook omdat ikzelf vanuit mijn jeugd helemaal niet zo'n positief gevoel had bij de uitverkiezing, begon ik me af te vragen of de theologie die destijds voor gelovigen een opluchting was in zichzelf wel voldoende in balans is. Of was er toen een wissel omgezet die aanvankelijk een probleem oploste maar tegelijk de geloofspraktijk op de langere duur eenzijdig maakte?

De uitverkiezing door God komt tot uiting in de tijd door de 'bekering': een ongelovige mens gaat geloven in God. Deze bekering wordt omschreven als een 'eenzijdig Godswerk'. Startpunt van zo'n bekering is de 'rechtvaardiging'. Over deze rechtvaardiging moesten we op de TUA een hoofdstuk bestuderen uit het werk Iustitia Dei van McGrath, het deel dat gaat over visie van de Reformatie. Belangrijke vraag in zijn boek is of 'rechtvaardiging' betekent dat God de mens als rechtvaardig beschóúwt (ondanks zijn zondigheid), of dat Hij de mens rechtvaardig máákt.

De Reformatie legde de nadruk op het eerste. God verkiest een mens, en beschouwt hem/haar als rechtvaardig vanwege de 'vreemde' (in de zin van, 'externe') gerechtigheid van Christus. De mens wordt dus zalig omdat Christus rechtvaardig is, niet omdat de mens rechtvaardig is, of zelfs rechtvaardig wórdt.

Een dergelijke gedachte heeft aantrekkelijke elementen, en kan ook wel in de Bijbel worden teruggevonden. Toch, en zeker terugkijkend vanuit de praktijk van vandaag, zie ik ook de lijdelijkheid en passiviteit om de hoek staan. Het boek van McGrath laat zien dat de discussie over de betekenis van 'rechtvaardiging' al breder speelde. Breed leefde het idee dat de rechtvaardiging ook betekenis had voor het menselijk leven zélf. Binnen de Reformatie sprak men over de 'heiliging' van de mens.

En precies op dát punt ervoer ik dat er een vreemde spanning zit in het gereformeerde denken. De heiliging wordt daar namelijk niet beschouwd als iets 'verdienstelijks', maar als een 'vrucht', een 'bewijs', van de rechtvaardiging - en dus van de uitverkiezing. Dat klinkt logisch; wat niet zo logisch is, is dat bij alle passiviteit rond de uitverkiezing en rechtvaardiging dít aspect van de heiliging namelijk juist níét passief wordt uitgewerkt. Bij John Owen las ik tijdens de TUA colleges de uitspraak "If you do not kill sin, it will kill you". Ik stelde de vraag hoe dat kon, 'gedood' worden door de zonde als je uitverkoren was? Als de heiliging niet wezenlijk bijdraagt aan de rechtvaardiging, aan het zalig-worden, waarom wordt er dan zo de nadruk op gelegd?

Mijn probleem lag niet bij die nadruk, overigens. Want die is haast in elk bijbelvers terug te vinden. Mijn probleem ligt in de inhoudelijke ontkoppeling van de rechtvaardiging en de heiliging. Dan kan het dus gebeuren, wat ook werkelijk zo was, dat tijdens een college over de hel en het laatste oordeel studenten tot hun verrassing moesten concluderen dat Jezus in Mattheus 25 de mensen niet zaligspreekt omdat ze zijn uitverkoren en door God, ondanks hun zonden, als rechtvaardig worden beschouwd - maar dat ze zalig worden gesproken om wat ze hebben gedáán.

Met andere woorden, de mens is rechtvaardig naar de mate waarin hij geheiligd is; en wat de mens dóét bepaalt haar of zijn bestemming. Dat is mijns inziens een heel andere insteek dan heiliging zien als 'vrucht' op de rechtvaardiging. Er is niets vanzelfsprekends aan de heiliging. Het kost moeite, aandacht en toewijding; zó beschouwd wordt het hét doel van het christelijke leven - zoals bisschop Barron het formuleert: "The ordinary goal of the christian life is to be a saint. It is the purpose of every sacrament, to draw us into the divine life in such a way that we can say with saint Paul: It is no longer I who live, it is Christ Who lives in me; in my behaviours, yes, and in my heart."

Het doel van het christelijke leven is dus niet om de vraag 'ben ik uitverkoren' beantwoord te krijgen!
Mijn probleempunt met de heiliging werd op de TUA overigens niet erg goed herkend; het is zeker mogelijk dat dat komt omdat ik bepaalde zaken zelf (nog) onvoldoende doorgrond. Het boek van McGrath heeft me ook wel laten inzien dat de discussie rond de rechtvaardiging en de heiliging een historisch gezien complex onderwerp is. Tegelijk maakte het boek duidelijk dat mijn vraag geen bijzaak is. Het enige wat ik nu kan concluderen is dat de argumentatie voor de rechtvaardiging als slechts de manier waarop God ons beschouwt, los van wie we zijn, mij met meer vragen achterliet dan wat ik meekreeg van de huidige Rooms-Katholieke visie.

En tegelijk begrijp ik Luther nu beter. Want het geloof dat uiteindelijk álles uit Gods hand komt, is een enorme bevrijding voor iemand die denkt dat hij alles zelf moet doen; zeker als dit door de kerkelijke omgeving tot in het extreme wordt benadrukt. Maar zo iemand zal ook niet zo snel in passiviteit vervallen. Of zijn ideeën rond Gods soevereiniteit voor mensen uit de Gereformeerde Gemeenten vandaag de dag hetgene zijn wat ze het meeste nodig hebben, waag ik echter te betwijfelen. Wat voor Luther hoopvol was, is voor hen vaak een bron van wanhoop geworden.

Wie tenslotte een korte introductie wil tot de thematiek uit het boek van McGrath over Iustitia Dei, kan ik dit (oudere) artikel van hem aanbevelen. 

woensdag 7 oktober 2026

De gevolgen van theologie studeren (5)

5. Niet tolvrij


"Een theologiestudie is namelijk verrijkend, maar niet tolvrij", schreef het commentaar in het Reformatorisch Dagblad. "Het kan iemand zelfs zijn geloof kosten".

Zowel het verrijkende aspect als de tol heb ik aan de lijve ondervonden. En ik heb van nabij gezien dat het inderdaad iemands geloof kan kosten. (Overigens - nu ik even nadenk over dit zinnetje in het Reformatorisch Dagblad, blijkbaar kan volgens de commentator iemand zijn of haar geloof verliezen. Achter die gedachte ligt een complex theologisch mijnenveld. Kan iemand ook het wáre geloof verliezen? En als dat niet zo is, hoe erg is het in feite als mensen schijngeloof kwijtraken? -- dit terzijde!)

Daarbij is er volgens het RD blijkbaar een glijdende schaal, waarbij het verlies van het geloof het dieptepunt is. Kortgezegd, een theologiestudie heeft blijvende effecten op de student - positief en negatief. Vandaag wil ik daar wat op reflecteren vanuit mijn eigen ervaring en de waarneming van de ervaringen van anderen.

Een theologieopleiding heeft niet hetzelfde effect op elke student, ook al is de stof hetzelfde en worden dezelfde opvattingen ter discussie gesteld. Het verschil kan zo groot zijn dat de ene student het christelijk geloof vaarwel zegt, terwijl de ander, opgegroeid zonder christelijke achtergrond, juist geïnteresseerd raakt. Wat een student zelf aan vragen en levenshouding meebrengt is daarbij zeer bepalend; en zeker ook de vraag of 'God' voor een student een belangrijk theologisch concept is, of een doorleefde realiteit.

Toen ik begon aan de Radboud, werd in de eerste les ons de vraag gesteld welk verhaal of welk gedeelte we zelf uit het Oude Testament zouden schrappen als we die mogelijkheid hadden. Ik zat achterin en was als één van de laatsten aan de beurt. Verhalen als het offer van Abraham, de uitroeiing van volkeren en dergelijke kwamen langs. Toen was een jongen aan de beurt die 2 Timotheus 3:16 aanhaalde: "Alles wat de Schrift zegt, is door God geïnspireerd" (NBV21). Niets mocht uit de Bijbel geschrapt worden, het was het Woord van God. Hij was de enige die deze stelling innam; ook ik deed dat niet. 

Twee maanden later nam hij volledig afstand van het christelijk geloof, mede door de nieuwe inzichten die hij tijdens de colleges OT en NT had opgedaan.

Nee, de opleiding theologie is niet tolvrij. Het is een opleiding die kritisch kijkt naar de zaken die voor een christen fundamenteel zijn. En daarom is het des te belangrijker om te weten wát er fundamenteel is voor je, en of dat wel terecht is. De jongen uit het voorbeeld hierboven fundeerde zijn geloof volledig op een bepaalde Schriftvisie. Een visie die sympathiek overkomt, en tegelijk zeer kwetsbaar is: een absolute versie van het Sola Scriptura. Wanneer dan de Schrift minder goddelijk blijkt te zijn dan je dacht, verliest het als geheel zijn waarde en stort het geloofshuis dat op dat fundament stond, ook in. Zeker een geloof dat gebaseerd is op ideeën en concepten is daar gevoelig voor. Want geen theologisch concept is per definitie veilig.

Wat dat betreft wil ik ook wijzen op het verschil tussen studeren aan de Radboud en aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Wanneer je als behoudende christen gaat studeren aan een liberale universiteit zoals de Radboud, ben je van te voren voorbereid dat men daar totaal anders over de zaken denkt dan je gewend bent. Binnen de groep van je jaargenoten kom je een enorme breedte aan opvattingen over van alles en nog wat tegen, en datzelfde geldt voor de docenten. Het is dan vrij eenvoudig om te denken "dat is hun mening" wanneer je iets hoort wat ingaat tegen wat je gewend bent. Dit wordt nog makkelijker als er binnen je groep rond hetzelfde thema vier verschillende opvattingen zijn. De jouwe is simpelweg de vijfde.

Wanneer je echter in een omgeving zit die veel dichter aansluit bij de cultuur waarin je bent opgegroeid, en er ook minder diversiteit aan opvattingen is, komen inzichten die afwijken van wat je gewend bent, harder aan. Stel dat je op de Radboud voor het eerst hoort dat een groot deel van de NT brieven wel Paulus' naam dragen maar niet van hem zijn, dan valt dat mentaal gezien in hetzelfde bakje als de bewering dat het evangelie van Thomas eigenlijk opgenomen had moeten worden in de canon. Kortom, een mening die met argumenten kan worden verdedigd en met argumenten kan worden bestreden, niets meer of minder dan dat. Wanneer echter de predikant uit je naburige behoudende gemeente in zijn functie als docent vertelt dat zelfs Calvijn twijfelde over het auteurschap van de tweede Petrusbrief, dan is dat gevoelsmatig van een andere orde.

Daarom denk ik niet dat studeren aan de Radboud persé "gevaarlijker" is voor iemands geloof dan studeren aan de TUA. Beide studies zullen bepaalde zekerheden ter discussie stellen; maar aan de TUA kan dit voor een gereformeerd opgegroeide student "dichterbij" komen.

Er is overigens niet alleen "gevaar". Juist op de Radboud heb ik voorbeelden gezien van respect voor de Bijbel, zo was er een echt niet al te conservatief denkende Rooms-Katholieke medestudent die aangaf altijd éérst te bidden voor hij aan een exegese paper ging werken. Omdat hij besefte dat hij ging nadenken over het Woord van God. Ook hadden we als studenten open, respectvolle gesprekken. Op de Radboud heb ik gemerkt dat het christelijk geloof geen "misvatting" is, zoals Richard Dawkins vroeger meende, het is alleszins redelijk. Sterker nog, één student die ik tegenkwam op de Radboud was vanwege puur filosofische argumenten tot de overtuiging gekomen dat het christelijk geloof redelijker was dan het atheïsme.

Maar voor een studie theologie moet je wel bereid zijn om ideeën te onderbouwen. En ter discussie te stellen. Wanneer een studie theologie geen effect heeft op het persoonlijke geloof, kan de vraag worden gesteld of er wel gestudeerd is. 

Ik heb het tot dusver alleen nog gehad over de 'verstandelijke' kant van het geloof. Maar ik heb ook studenten ontmoet die met een diepe Godservaring aan de opleiding waren begonnen. Zij waren in staat om een brede interesse in theologische onderwerpen te combineren met een "kinderlijk" geloofsvertrouwen; ik las een dergelijke houding ook terug in wat Bram van de Heuvel onlangs zei in verband met zijn promotie, "Ik ben een vrij simpel mens en heb een kinderlijk geloof. Dat is een gave, want ik weet dat anderen wel te kampen hebben met veel twijfel." Ik ben er van overtuigd dat studenten die God hebben ervaren in hun leven, en de band met God dagelijks ervaren, dit niet snel zullen kwijtraken.

Mijn geloof is wat meer verstandelijk van aard, en naar mijn idee daardoor kwetsbaarder. Één effect van de opleiding is dat ik een stuk terughoudender geworden wanneer mensen spreken over hun geloofservaringen, en ervaar ik zelf ook minder omdat het lastiger is geworden om me daarvoor "open" te stellen. Dit komt omdat de theologiestudie rationeler leert kijken naar geloof en geloofsuitingen. Dit zou ik als een wat meer 'negatief' effect van de theologieopleiding willen duiden.

Aan de andere kant is het fundament van het geloof - dat er een God is, dat Jezus "God geopenbaard in het vlees is" - voor mij alleen maar steviger geworden; hoewel deze zaken nauwelijks "bewezen" kunnen worden, geldt dat voor de alternatieven evenzeer en kies ik zeer van harte voor het christelijke narratief als de beste en de meest hoopvolle verklaring en richting van het menselijk bestaan. De theologieopleiding heeft mij laten zien dat voor een dergelijke houding goede argumenten zijn, een positief effect dus.

Meer op detailniveau heeft de opleiding mij inzicht gegeven in het spanningsveld tussen Rome en Reformatie, en heeft het mijn eigen opvattingen hieromtrent gevormd. Ik hoop daar in de komende weken - toepasselijk, zo richting 31 oktober - meer over te schrijven.

Misschien ben je trouwens benieuwd wat mijn antwoord was op de vraag wat ik uit het OT zou schrappen. Ik antwoordde dat ik niet gewend was om te bedenken wat ik zou schrappen uit de Bijbel; maar dat ik wel gewend was aan een Bijbel die sommige dingen uit míjn leven wilde schrappen.