4. Sola Scriptura
De vorige keer heb ik het gehad over de wetenschappelijke blik op de Bijbel. Nu wil ik het meer hebben over wat dit deed met mijn visie op de Bijbel als het Woord van God.
Ik ben opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, en heb van jongsaf een isgelijk-teken leren plaatsen tussen de Bijbel en het Woord van God. Het één was een synoniem voor het andere - zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de manier waarop het RD deze week een uitspraak van ds. De Heer weergeeft: [https://www.rd.nl/artikel/ds-de-heer-bijbel-sinds-genesis-3-niet-meer-veilig-bij-de-mens] "Bijbel sinds Genesis 3 niet meer veilig bij de mens" (ik dacht, de Bijbel is ontstáán vanwege Genesis 3, en bestond daarvoor en zelfs lange tijd daarna nog niet; ds. De Heer had het over "Gods Woord", en dat is uiteraard correct).
Een adagium als Sola Scriptura was voor mij dan ook bekend en logisch. Als het Woord van God de Bijbel was, dan ging daar niets boven en was dat voldoende. Tegelijkertijd ontstond de paradox dat de Bijbel en de theologische opvattingen van de Gereformeerde Gemeenten naar mijn opvatting wat op gespannen voet stonden, vooral daar waar het gaat over de 'heilszekerheid' (kortgezegd, ben je gered of niet, ga je naar de hemel of naar de hel). En ik was niet de enige; ik noem slechts Blaauwendraad en Van der Zwaag. Er was rond dit onderwerp een bredere discussie tussen mensen die het over één punt wel eens waren: De Bijbel had gelijk.
En dat gold ook voor mijn persoonlijk geloof; ik vond antwoorden op de vraag rond het heil in de Bijbel en was daarmee tevreden. En omdat de Gereformeerde Gemeenten mijns inziens te ver van de Bijbel waren afgedwaald, ben ik daar uiteindelijk ook vertrokken. De Bijbel was voor mij het eindpunt.
Vragen rond het Sola Scriptura stelde ik toen nog niet - dat kwam na verdere reflectie op de vraag wie er in het theologische landschap 'gelijk' heeft wanneer de Bijbel wordt uitgelegd, en ook op de vraag wat dat eigenlijk is, 'de' Bijbel. In mijn jeugd was de Bijbel niet alleen synoniem met Gods Woord, maar ook met de Statenvertaling. Door een studie Hebreeuws begon dat te veranderen. Vanuit Rooms-Katholieke hoek kreeg ik daarbij meer oog voor het begrip 'traditie', en de waarde van een Kerk die over de Bijbeluitleg en de theologie waakt.
Rond die tijd ging ik aan de Radboud studeren, en één van de eerste vakken was Exegese NT waarbij we een boek gebruikten van Bart Ehrman die uitlegde hoe een wetenschappelijke editie van het griekse NT (NA28) is opgebouwd: van elk vers is de meest waarschijnlijke grondtekstvariant opgenomen, maar als geheel is er geen enkel papyrus dat overeenkomt met de NA28. De autografen, de oorspronkelijke handschriften, zijn namelijk verloren gegaan.
Daarbij moet, in tegenstelling tot wat een kreet als Sola Scriptura lijkt te pretenderen, de Bijbeltekst altijd door een interpretatieslag heen. Er is tegenwoordig meer aandacht voor deze 'ontvangst'kant van teksten in het algemeen (zie bijvoorbeeld het recente gesprek met ds. T. Bakker over hermeneutiek), en daarmee is er ook meer oog voor de gedachte dat de Bijbeltekst kan 'werken' tijdens het lezen. De vraag is dan wel waar de normativiteit ligt: bij de tekst zelf, of bij de individuele interpretatie? 'Sola Scriptura' pretendeert dit geheel bij de tekst te leggen - en dat klinkt solide, maar de vraag is of het in de praktijk kan. En of de veelkleurigheid van het protestantisme geen bewijs is van het eigen ongelijk op dit vlak.
Het is juist op de TUA dat dit onderwerp aan de orde kwam, toen we het boek 'Geestspraak' van H. van den Belt bespraken. Die merkt op dat Gods Geest niet alleen het schrijven van de Bijbelteksten inspireerde, maar ook het lézen en het trekken van conclusies uit de bijbeltekst inspireert. Voor Van den Belt is een belangrijke 'leesregel' dat de Bijbel met de 'Kerk van alle tijden en plaatsen' wordt gelezen. Voor mij is dit een cruciale gedachte, die ik misschien nog wel wat verder doortrek dan Van den Belt doet. Ik ben er nog niet helemaal over uit of de Bijbel primair het boek is van de christelijke gemeenschap, of dat de christelijke gemeenschap voortkomt uit de Bijbel; maar het is een feit dat voor de eerste opvatting zeker zinnige argumenten zijn.
Het Sola Scriptura dat ik in mijn jeugd meekreeg als een soort gouden standaard die we dankzij de Reformatie verwierven, vind ik daarmee echt problematisch (en ik ben dus niet de enige). Het is niet vol te houden wanneer je ook maar enige kennis hebt van de Bijbel en de kerkgeschiedenis. In kerkelijke kringen toch blijven spreken van het Sola Scriptura, in het bijzonder wanneer dit exclusief wordt verbonden aan de Statenvertaling, komt wat mij betreft in de buurt van misleiding.
Daarnaast ben ik nog kritischer gaan kijken naar exegetische 'vondsten' van relatief recente datum, in het bijzonder als deze Israël of de eindtijd (vanuit Openbaringen) betreffen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de bedelingenleer van Darby en bepaalde opvattingen rond het duizendjarig rijk. Deze "dispensationalistische" theologie leunt heel sterk op het Sola Scriptura (en daarom was ik er aanvankelijk ook wel van gecharmeerd); ik verwijs hier als voorbeeld naar het boekje 'De bijbel én de belijdenis? Over biblicisme en bijbellezen' van J. Fijnvandraat, waar de schrijver zichzelf als 'biblicist' beschouwt. Juist de rol van de traditie, die Fijnvandraat onderwaardeert, zorgde ervoor dat ik kritisch werd op de inzichten van deze stroming. Die inzichten van een enkeling, die geen basis hadden in de hoofdstroom van de kerkgeschiedenis, worden overgewaardeerd zonder dat voldoende wordt verdisconteerd dat elke exegese een tijdgebonden, gekleurde interpretatie is. Een theologie die niet is geworteld in de Kerk 'van alle tijden en plaatsen' kreeg voor mij minder autoriteit, al is het altijd mogelijk ervan te leren.
Om dezelfde reden ben ik ook kritischer gaan kijken naar de exegese van de Reformatie. In een bepaald gedeelte uit de Institutie van Calvijn waarin hij een paar verzen uit 1 Korinthe 3 bespreekt, stelt hij onomwonden dat hij het beter weet dan de kerkvaders - en die schuift hij vrij makkelijk aan de kant. In een onderzoek dat ik deed vergeleek ik zijn houding met die van Benedictus XVI die met betrekking tot hetzelfde gedeelte een veel meer luisterende houding aanneemt en de hele uitleggeschiedenis van het gedeelte verdisconteert in zijn eigen opvatting. Dat is wat mij betreft de manier om te voorkomen dat je eigen geniale inzicht het startpunt wordt van een nieuwe dwaling; de traditie moet op zijn minst fungeren als vangrails. (Overigens hecht ik eraan op te merken dat ik geen oordeel vel over Calvijns houding richting de kerkvaders in het geheel van zijn werken - die houding zal ongetwijfeld genuanceerder zijn, ik heb daar geen studie naar verricht. Het gaat mij hier om dit specifieke geval rond 1 Korinthe 3.)
Op een heel ander vlak ben ik ook terughoudend geworden: de theologische waarde van het brontekstonderzoek, in het bijzonder dat van het Nieuwe Testament. Ik zou graag enige scheiding aan willen brengen tussen het onderzoek naar de oudste variant(en) van het NT, en de vraag welke tekst gezag heeft binnen de Kerk. Er is nu een tendens om hoe dan ook de oudste tekst het meeste gezag toe te kennen, maar dat betekent dat het 'echte' Woord van God blijkbaar in verloren gegane autografen staat, en dat we steeds dichter bij dit oorspronkelijke Woord van God komen wanneer we maar harder ons best doen het origineel te reconstrueren. Een dergelijke gedachte minimaliseert het werk van de Heilige Geest bij de overlevering van de tekst, en dat vind ik bezwaarlijk omdat het naar Gods wil lijkt te zijn om Zijn Woord een menselijk karakter te geven.
Voor de Kerk is het 'terugvinden' van de meest oorspronkelijke tekst dus niet van cruciaal belang. En het lange slot van Markus is geen fout, het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes evenmin. Dat neemt niet weg dat het academisch onderzoek naar deze teksten wel degelijk van waarde kan zijn, omdat het licht kan werpen op de betekenis van bepaalde passages. Maar er is het risico dat de drang naar het vinden van de meest oorspronkelijke tekst van die tekst een soort Koran maakt, die dan 'ongeschonden' uit de hand van God zou zijn gekomen en daarna alleen maar is bezoedeld door overschrijffouten. Een term als 'Sola Scriptura' versterkt een dergelijke gedachte.
Ik ben geen moslim en geloof niet primair in een boek, zeker niet in een boek dat God volmaakt liet schrijven om het onmiddellijk daarna verloren te laten gaan. Ik geloof in een levend Woord, dat door de Geest werkt in de Kerk. Een recent gevonden oud manuscript kan voor mij daarom niet de tekst overtroeven die door diezelfde Geest door de eeuwen heen is overgeleverd.
De theologiestudie heeft voor mij het idee verscherpt dat de werkelijke waarde van de Bijbel niet kan worden gevonden door te proberen te achterhalen hoe de tekst is ontstaan, maar eerder door meditatie over de tekst in het geloof dat ze - op allerlei verschillende wijzen - door God in het heden zijn gebracht. En daarbij geloof ik dat ook de "ongepolijste" tekstoverlevering bewust door God zo gewild is. Hij gaf Zijn Woord een menselijk karakter. Dit maakt de Bijbel ook een "levend" document, geen statische tekst (zoals ik eerder de visie op de Koran beschreef).
Iemand zou hier overigens kunnen tegenwerpen dat in het NT de tekst van het OT ook gelijkgesteld werd met het Woord van God: Jezus heeft het bijvoorbeeld bij de verzoeking in de woestijn over 'er staat geschreven'. Dat is inderdaad een belangrijke nuance, en moet ons aan de andere kant bewaren voor een al te menselijke visie op de Bijbel. De Bijbel die we nu hebben, is het Woord dat God ons wilde geven.
Tegelijk bewijst de manier waarop het NT het OT citeert ook dat de apostelen zelf dit Woord als een levend iets beschouwden en niet als een statische tekst - vanwege het gebruik van de Septuaginta. Voor mij heeft deze vertaling van het OT dan ook aan waarde gewonnen, omdat het het "Oude Testament van de jonge Kerk" was (een titel die Chris Fahner aan een boekje over de LXX gaf).
