woensdag 28 oktober 2026

De gevolgen van Theologie studeren (8)

8. Reformatie en de Vetus Ordo

De Rooms-Katholieke Kerk heeft voor mij een bepaalde aantrekkingskracht. In tegenstelling tot protestantse denominaties is er een centraal leergezag dat met enig recht kan claimen terug te gaan op de tijd van de apostelen. Er is een vrij strakke, top-down ingerichte organisatiestructuur waarbij 'autoriteit' en 'gehoorzaamheid' belangrijke begrippen zijn. Ik houd van regels (CIC-1983) en helderheid; vermoedelijk is een verband met mijn autismediagnose niet al te vergezocht.

De RKK straalt homogeniteit en massiviteit uit. Maar ook hier geldt dat een bepaalde groepering voor buitenstaanders vaak homogener lijkt dan die in werkelijkheid is. Er mag dan één Paus en één magisterium zijn, dat betekent niet dat iedereen hetzelfde denkt - of dat iedereen toejuicht wat de Paus zegt. Er zijn zeer vrijzinnige stromingen, waar ik bijvoorbeeld onze docent Liturgie van destijds op de Radboud onder schaar voor wie de opstanding van Christus een "ervaring van de discipelen" was - hijzelf beleed niet geheel verrassend een discipel van Schillebeeckx te zijn. Hij was er zich van bewust een halve ketter te zijn op bepaalde vlakken, maar stelde tegelijk zeer stellig dat hij (letterlijke quote) "zo katholiek als de pest" was.

Dit 'cultuurkatholicisme' is voor mij moeilijk te begrijpen, omdat het zeer grote vrijzinnigheid claimt binnen een Kerk die formeel het absolute tegendeel predikt. Logischer, en voor mij ook ergens sympathieker, zijn de mensen en groeperingen die de leer van de Kerk consequent en strikt opvatten. En die zijn er binnen de RKK ook. Ik kende het Opus Dei al door het werk van de Amerikaanse bekeerling Scott Hahn. Recent kwam de SSPX in het nieuws vanwege de excommunicatie door Paus Leo XIV. 

Zoals ik al zei heb ik (een beetje van nature) sympathie voor conservatieve stromingen. Ze buigen niet zomaar mee met elke nieuwigheid en geven het gevoel van stabiliteit in een onrustige wereld. Hun wat rigide redeneringen hebben aantrekkingskracht omdat ze vrij eenvoudig zijn - het taalgebruik is lang niet zo wollig als in de vrijzinnigheid. God de Vader is een bestaand Persoon; Jezus is Zijn Zoon die daadwerkelijk lichamelijk is opgestaan. De feiten tellen als eerste en niet de ervaringen. Ik ben zelf ook in een behoudende kring opgegroeid, zij het een protestantse, en dergelijke helderheid  roept herkenning op. Op de Radboud merkte ik wel eens op dat ik waarschijnlijk meer van de RK catechismus onderschreef dan vrijwel iedere katholiek die daar rondliep.

Het gedoe rond de SSPX raakt echter aan het punt waar mijns inziens 'puur conservatief' zijn in spanning kan komen met de essentie van de Kerk en haar gezag. Die spanning kan in het geval van de SSPX met één zin zichtbaar worden gemaakt: Enerzijds wil de SSPX de macht van de Paus vergroten (zoals die vroeger was), anderzijds weigeren ze de huidige Paus te gehoorzamen. 

Het grote punt van conflict is hier de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie, en meer specifiek die rond de vernieuwingen van de liturgie. Het zeer behoudende deel van de RKK wil vasthouden aan de Tridentijnse mis (in het latijn), en dat geldt zeker voor de SSPX.

Aan het begin van de opleiding aan de Radboud kreeg ik de gelegenheid om een Latijnse (Tridentijnse, 'Vetus Ordo') mis bij te wonen in Oss. Deze werd georganiseerd door het behoudende EWTN. Ergens had ik daar wel hoge verwachtingen van, want daar zouden tenslotte de "echte" katholieken tenslotte komen, geen clubje cultuurkatholieken. Een beetje tot mijn verrassing gaf de dienst mij juist echter een bepaald inzicht in waarom de Reformatie had plaatsgevonden. Sterker dan een reguliere - 'Novus Ordo' - mis is een Tridentijnse mis iets wat tussen de priester en God plaatsvindt, en zijn - naar mijn beleving - de kerkgangers 'aanwezigen' bij het ritueel. Voor mij werd dit gevoel natuurlijk nog verder versterkt doordat ik een gereformeerde buitenstaander was. Maar tekenend was daarbij het feit dat ook mijn Rooms-Katholieke medestudente de liturgie niet kon volgen, ook al hadden we die op papier meegekregen.

Ik realiseerde me hoe eenvoudig een dergelijke 'setting' tot bijgeloof zou kunnen leiden. Het publiek die zondagochtend in Oss was waarschijnlijk relatief goed geïnformeerd in de geloofszaken, en de aanwezigen zullen neem ik aan juist daarom een bewuste, overwogen keuze hebben gemaakt voor een Latijnse mis. Maar voor de doorsnee Middeleeuwer zal dat anders zijn geweest. Wat de priester 'ad orientem' uitvoert in dienst van God voor hen, maar hoofdzakelijk zonder hen, kan eenvoudig als een soort magisch gebeuren worden opgevat.

Nu had ik ook wel met 'Novus Ordo' - missen kennisgemaakt, ik denk bijvoorbeeld aan de online uitzendingen door Mike Schmitz. Die zijn nog steeds vrij 'sober' (en Schmitz staat ook niet bepaald als liberaal bekend), maar tegelijk is de viering wel veel meer 'met elkaar' als gemeenschap. Deze nieuwe liturgische vorm is een verworvenheid van Vaticanum II, naar mijn ervaring een sterke verbetering - maar diezelfde vorm wordt dus betwist door de meest conservatieve stromingen waar ik me doorgaans het meest mee verbonden voel.

Niet alleen realiseerde ik me dat door de Reformatie een belangrijk probleem was aangekaart, maar ook dat er een grens is aan behoudzucht. Het conservatisme van de SSPX is zo sterk dat het gelijkenis vertoont met rebellie; zoals vaker raken de uitersten elkaar. Wanneer Vaticanum II wordt weggezet als een dwaling, haalt de SSPX mijns inziens het hele fundament van de Rooms-Katholieke Kerk weg: wie gaat dan bepalen welk concilie wel of niet door de Geest geleid was?

In deze week vlak voor de Reformatieherdenking blijf ik daarmee staan met een soort dubbele conclusie. Met J.H. Gunning (in zijn boek over kardinaal Newman, p. 17-18) zeg ik: 

"[Men zegt:] En dan breekt eerst met de reformatie de tijd voor Gods ware Kerk aan! Neen, zoo eenvoudig en simplistisch kan ik mij de geschiedenis van Christus' Kerk onmogelijk voorstellen. Ook ik ben een zoon der hervorming, maar ik kan de reformatie niet alléén als een zegen, ik moet haar óók als een oordeel Gods beschouwen."

Dat oordeel betrof de Rooms-Katholieke Kerk uit die dagen, die ver van haar plaats was. Tegelijk draagt de Reformatie ook de aspecten van opstand tegen gezag met zich mee. We vinden het vaak eenvoudiger dit te aanvaarden bij gebeurtenissen in het verre verleden, dan wanneer mensen nú menen dat ze op een theologisch punt gelijk hebben en hun kerkgemeenschap daardoor laten scheuren. Mijn voorzichtige conclusie is dat het zowel nu als tóén iets verkeerds is; en dat dit destijds weliswaar hoofdzakelijk aan de RKK, maar toch niet geheel alleen aan haar te wijten was. Je hoeft niet ver te zoeken op het internet om te begrijpen dat een karakter als dat van Luther niet altijd even plooibaar was; vooral in het debat met Erasmus viel mij dat op. Het is de wens van Jezus dat de christenen één zijn, en eenheid is alleen mogelijk wanneer gezag wordt gerespecteerd.

Daarmee moet ook de houding van de SSPX worden verworpen; en mijns inziens om twee redenen. Allereerst omdat het in opstand komen tegen kerkelijk en conciliair gezag niet past bij 'katholiek' zijn. In de tweede plaats omdat ik geloof dat de Reformatie destijds op het vlak van de liturgie zeker een belangrijk punt aankaartte; het is niet zomaar dat Vaticanum II de plaats en de rol van de geloofsgemeenschap heeft versterkt. Dit is eerder een herstel dan een breuk met het verleden. Als er iets te vieren is rond 31 oktober, dan zeker ook dit. 

maandag 19 oktober 2026

De gevolgen van Theologie studeren (7)

7. Verbondenheid en bescheidenheid


Op het eerste deel van deze serie kreeg ik een reactie, die ik even in mijn eigen woorden samenvat: hoe verhoudt theologie studeren zich tot het feit dat de eerste apostelen voor een deel ongeletterde vissers waren? De vraag is niet uitzonderlijk, ik kwam onlangs dezelfde gedachte tegen in het boek Antibarbari van Erasmus.


Ook ds. Kersten, de oprichter van de Gereformeerde Gemeenten in 1907, kreeg dit als tegenwerping toen die een eigen predikantsopleiding wilde (de huidige school aan de Boezemsingel in Rotterdam). De school zou 'fabrieksdominees' opleveren, was het verwijt. 


Het antwoord hierop moet mijns inziens genuanceerd zijn. In deze 'aflevering' wil ik benadrukken wat het belang is van een goede opleiding, maar dat het belang van opleiding binnen de christelijke kerk ook kan worden gerelativeerd, hoop ik later nog te benoemen.


Afgelopen week stuurde iemand met wie ik studeerde aan de Radboud mij een podcast op, en de manier waarop dat gesprek werd gevoerd deed me beseffen waar de waarde van een theologiestudie in zit. Het betreft dit gesprek tussen Elbert Pogosjan met Florens van der Spek en Jordy Loendersloot. De inhoud van het gesprek is hier even minder van belang, daar kom ik misschien later nog op terug; het gaat me over de manier van argumenteren; interessant is namelijk dat hetzelfde onderwerp is bediscussieerd tussen Elbert en dr. P. de Vries.


Florens heeft, aan zijn LinkedIn profiel te zien, een hoveniersopleiding gedaan. Jordy deed bestuurskunde in Tilburg. Elbert heeft oa een master in christelijke theologie behaald in Tilburg (concludeer ik uit wat Chris Verhagen zei). Daarmee beschouw ik Elbert als theologisch opgeleid, Florens en Jordy niet.


Dat verschil is goed te merken; Florens en Jordy vervallen met regelmaat in een soort tale kanaäns, zonder ooit echt diep te gaan - zoals het voortdurende herhalen van de uitdrukking 'het Woord recht snijden'. Ik kreeg het gevoel dat Florens een bepaald arsenaal aan oneliner-achtige argumenten heeft, dat hij op straat gebruikt en simpelweg opnieuw afdraaide bij Elbert. Toen Elbert heel even verwees naar kerkvaders (1:12:47), reageerde Florens direct dat we 'niemand onze vader' moeten noemen; alsof dat een voorgeprogrammeerde reactie was die in zijn hoofd werd getriggerd. Voeg daarbij Florens' haast kinderlijke reactie op de suggestie van Elbert dat zijn opvattingen sterk calvinistische trekken hebben (wat theologisch gezien zeker juist was).


Voor Pogosjan was, hoewel hij dat in het gesprek met Florens en Jordy niet echt verder uitwerkte, het beroep op de kerkvaders wel inhoudelijk van belang: hij probeerde ermee aan te geven dat hij zijn opvatting niet zelf had 'bedacht', maar dat die 'oude papieren' zou hebben. Oftewel, voor Elbert is het van belang om verbinding te zoeken met de theologie van de Kerk der eeuwen.


Florens en Jordy hebben voldoende aan hun eigen manier van bijbellezen; en hoewel ze instemden met Elberts opmerking dat we allemaal beïnvloed zijn door de tijdgeest en onze omgeving, blijkt niet dat hen dat voorzichtiger maakt. Florens en Jordy zijn, wat bijbelinterpretatie betreft, uiteindelijk hun eigen leergezag.


Ik keek na dit gesprek het debat tussen Elbert en dr. P. de Vries; en hoewel De Vries evenzeer gelooft in de volharding der heiligen als Florens en Jordy, begrijpt De Vries waar de knelpunten zitten en wil ook hij aansluiten bij de theologie, in het bijzonder dan die van Augustinus en de Reformatie. Van alle vier komt De Vries het minst drammerig over, en dat terwijl hij tegelijk zondermeer het hoogst geschoold is in de theologie.


Mijn conclusie, op basis van deze twee video's, was dan ook dat theologie studeren helpt om de grenzen te ontdekken van wat we met stelligheid kunnen beweren; met andere woorden, studeren maakt je voorzichtiger. Je leert de argumenten van tegenstanders waarderen. Florens en Jordy zijn een voorbeeld van het Dunning-Kruger effect: ze weten een beetje van theologie en denken vervolgens álles te weten. Nogal een contrast met Socrates, waaraan de uitspraak wordt toegeschreven "Het enige dat ik weet, is dat ik niets weet".


Hieraan verbonden is het feit dat theologie studeren je gevraagd en ongevraagd confronteert met meningen uit de kerkgeschiedenis. Je leert je verhouden tot wat ánderen beweerd hebben over de Bijbel en de theologie. Je komt erachter dat je eigen ideeën vaak niet zo uniek zijn of geniaal als je aanvankelijk dacht. En je leert het waarderen wanneer je gebruik kan maken van het denkwerk van de 'groten' uit de voorbije eeuwen.

 

woensdag 14 oktober 2026

De gevolgen van theologie studeren (6)

6. 'Rechtvaardiging' en de troost van Uitverkiezing

Ik ben opgegroeid binnen de Gereformeerde Gemeenten; een behoudende tak van het gereformeerde protestantisme met een heel "eigen" kleur waardoor het zich onderscheidt of probeert te onderscheiden van andere gereformeerde stromingen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten probeert men op de "juiste" manier gereformeerd te zijn, maar de Reformatie zélf is een vaststaand gegeven en staat niet ter discussie. De drie fundamentele belijdenisgeschriften uit die tijd - de Heidelberger Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis (of 'Confessio Belgica') en de latere Dordtse Leerregels - hebben een status die in de praktijk canoniek genoemd mag worden. Op diverse momenten werd er van mij gevraagd om mijn handtekening onder deze drie geschriften te zetten; tot aan de TUA toe, hoewel het daar gelukkig niet verplicht was.

Door de kennismaking met Rooms-Katholieke theologen via het internet leerde ik de Reformatie zelf te bevragen. Door het "open" en liberale klimaat op de Radboud raakte het wat op de achtergrond, docenten op de Radboud leken zich eerder te schamen voor de Roomse doctrines en kerkelijke regels dan dat ze die met verve probeerden te verdedigen. Het dichtst bij kwam nog het tekstboek dat de docent dogmatiek (zelf uit protestantse hoek, en enigszins tegen zijn zin) gebruikte: Catholic Theology van Bauerschmidt en Buckley; een boek dat ik als "warm" en positief heb ervaren voor mijn persoonlijk geloof.

Maar de echte vragen richting de gereformeerde "leer" kwamen op toen deze op de TUA onderbouwd werd. Ik wil vandaag wat dat betreft focussen op het punt van de rechtvaardiging en de uitverkiezing.
Om met dat laatste te beginnen: de uitverkiezing is een zeer bepalend dogma binnen de Gereformeerde Gemeenten - en het wordt in de praktijk niet als erg hoopvol ervaren hoewel het tegelijk wel als zodanig wordt gepresenteerd: zonder uitverkiezing zou geen mens zalig worden, want geen mens kiest sinds de zondeval immers vrijwillig voor God? Natuurlijk ontstaan er dan wel een paar vragen, die mede de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten hebben bepaald - denk aan de scheuring van 1953 - : geldt het evangelie wel voor iedereen als God sommigen verkiest en anderen niet, en Hij dat natuurlijk al van te voren heeft bepaald? En waarom zou je eigenlijk keurig al je godsdienstige plichten vervullen wanneer dat niets verandert aan je al dan niet 'verkoren-zijn'?

Die laatste kritiek wordt in preken regelmatig bestreden, ik vermoed juist ook omdat die vraag in de praktijk zeer breed leeft. Het antwoord wat daarop wordt gegeven, is dat God 'door de weg der middelen' werkt - ofwel, God 'bekeert' mensen bij voorkeur tijdens een kerkdienst, doordat iets uit de Bijbel hen raakt. Zelf heb ik kerkdiensten daardoor ervaren als een soort badwater van Bethesda (evangelie naar Johannes, hoofdstuk 5:1-9). Johannes beschrijft hoe mensen daar liggen te wachten 'tot er iets gebeurt'; een engel die het water aanroert, of, in het geval van die ene verlamde man uit het verhaal, tot Jezus arriveert. Het is in de praktijk voor dergelijke wachtende mensen heel lastig om iets positiefs te zien in de uitverkiezing.

Voor mij was het een eye-opener om te zien hoe voor Luther de gedachte van uitverkiezing persoonlijk juist een opluchting was, en ik begreep het ook. Voor iemand die voortdurend bang was om de zaligheid te verliezen door wat hij wel of niet deed, is het een verlossing om te kunnen geloven dat het alleen van Gods keuze voor hém afhing. En ik kreeg de indruk dat ditzelfde door alle gelovigen van de reformatie zo werd ervaren: de zaligheid lag voor hen vast, die konden ze niet verliezen, want God had hen uitgekozen. Twijfel rond de vraag óf God hen wel had uitverkoren speelde volgens mij niet of nauwelijks. Mijns inziens komt dit omdat een idee als 'uitverkiezing' werd verbonden met een zeer groot Godsvertrouwen.

Maar, juist ook omdat ikzelf vanuit mijn jeugd helemaal niet zo'n positief gevoel had bij de uitverkiezing, begon ik me af te vragen of de theologie die destijds voor gelovigen een opluchting was in zichzelf wel voldoende in balans is. Of was er toen een wissel omgezet die aanvankelijk een probleem oploste maar tegelijk de geloofspraktijk op de langere duur eenzijdig maakte?

De uitverkiezing door God komt tot uiting in de tijd door de 'bekering': een ongelovige mens gaat geloven in God. Deze bekering wordt omschreven als een 'eenzijdig Godswerk'. Startpunt van zo'n bekering is de 'rechtvaardiging'. Over deze rechtvaardiging moesten we op de TUA een hoofdstuk bestuderen uit het werk Iustitia Dei van McGrath, het deel dat gaat over visie van de Reformatie. Belangrijke vraag in zijn boek is of 'rechtvaardiging' betekent dat God de mens als rechtvaardig beschóúwt (ondanks zijn zondigheid), of dat Hij de mens rechtvaardig máákt.

De Reformatie legde de nadruk op het eerste. God verkiest een mens, en beschouwt hem/haar als rechtvaardig vanwege de 'vreemde' (in de zin van, 'externe') gerechtigheid van Christus. De mens wordt dus zalig omdat Christus rechtvaardig is, niet omdat de mens rechtvaardig is, of zelfs rechtvaardig wórdt.

Een dergelijke gedachte heeft aantrekkelijke elementen, en kan ook wel in de Bijbel worden teruggevonden. Toch, en zeker terugkijkend vanuit de praktijk van vandaag, zie ik ook de lijdelijkheid en passiviteit om de hoek staan. Het boek van McGrath laat zien dat de discussie over de betekenis van 'rechtvaardiging' al breder speelde. Breed leefde het idee dat de rechtvaardiging ook betekenis had voor het menselijk leven zélf. Binnen de Reformatie sprak men over de 'heiliging' van de mens.

En precies op dát punt ervoer ik dat er een vreemde spanning zit in het gereformeerde denken. De heiliging wordt daar namelijk niet beschouwd als iets 'verdienstelijks', maar als een 'vrucht', een 'bewijs', van de rechtvaardiging - en dus van de uitverkiezing. Dat klinkt logisch; wat niet zo logisch is, is dat bij alle passiviteit rond de uitverkiezing en rechtvaardiging dít aspect van de heiliging namelijk juist níét passief wordt uitgewerkt. Bij John Owen las ik tijdens de TUA colleges de uitspraak "If you do not kill sin, it will kill you". Ik stelde de vraag hoe dat kon, 'gedood' worden door de zonde als je uitverkoren was? Als de heiliging niet wezenlijk bijdraagt aan de rechtvaardiging, aan het zalig-worden, waarom wordt er dan zo de nadruk op gelegd?

Mijn probleem lag niet bij die nadruk, overigens. Want die is haast in elk bijbelvers terug te vinden. Mijn probleem ligt in de inhoudelijke ontkoppeling van de rechtvaardiging en de heiliging. Dan kan het dus gebeuren, wat ook werkelijk zo was, dat tijdens een college over de hel en het laatste oordeel studenten tot hun verrassing moesten concluderen dat Jezus in Mattheus 25 de mensen niet zaligspreekt omdat ze zijn uitverkoren en door God, ondanks hun zonden, als rechtvaardig worden beschouwd - maar dat ze zalig worden gesproken om wat ze hebben gedáán.

Met andere woorden, de mens is rechtvaardig naar de mate waarin hij geheiligd is; en wat de mens dóét bepaalt haar of zijn bestemming. Dat is mijns inziens een heel andere insteek dan heiliging zien als 'vrucht' op de rechtvaardiging. Er is niets vanzelfsprekends aan de heiliging. Het kost moeite, aandacht en toewijding; zó beschouwd wordt het hét doel van het christelijke leven - zoals bisschop Barron het formuleert: "The ordinary goal of the christian life is to be a saint. It is the purpose of every sacrament, to draw us into the divine life in such a way that we can say with saint Paul: It is no longer I who live, it is Christ Who lives in me; in my behaviours, yes, and in my heart."

Het doel van het christelijke leven is dus niet om de vraag 'ben ik uitverkoren' beantwoord te krijgen!
Mijn probleempunt met de heiliging werd op de TUA overigens niet erg goed herkend; het is zeker mogelijk dat dat komt omdat ik bepaalde zaken zelf (nog) onvoldoende doorgrond. Het boek van McGrath heeft me ook wel laten inzien dat de discussie rond de rechtvaardiging en de heiliging een historisch gezien complex onderwerp is. Tegelijk maakte het boek duidelijk dat mijn vraag geen bijzaak is. Het enige wat ik nu kan concluderen is dat de argumentatie voor de rechtvaardiging als slechts de manier waarop God ons beschouwt, los van wie we zijn, mij met meer vragen achterliet dan wat ik meekreeg van de huidige Rooms-Katholieke visie.

En tegelijk begrijp ik Luther nu beter. Want het geloof dat uiteindelijk álles uit Gods hand komt, is een enorme bevrijding voor iemand die denkt dat hij alles zelf moet doen; zeker als dit door de kerkelijke omgeving tot in het extreme wordt benadrukt. Maar zo iemand zal ook niet zo snel in passiviteit vervallen. Of zijn ideeën rond Gods soevereiniteit voor mensen uit de Gereformeerde Gemeenten vandaag de dag hetgene zijn wat ze het meeste nodig hebben, waag ik echter te betwijfelen. Wat voor Luther hoopvol was, is voor hen vaak een bron van wanhoop geworden.

Wie tenslotte een korte introductie wil tot de thematiek uit het boek van McGrath over Iustitia Dei, kan ik dit (oudere) artikel van hem aanbevelen.