zaterdag 5 februari 2022

Het vergelegen land

Intro

Drie keer vertelt Jezus de gelijkenis van het verlorene dat weer gevonden wordt, in Lukas 15, als antwoord op de schampere opmerking van de Farizeeën: Deze Man ontvangt zondaars en eet met hen (Lukas 15:2). 

Onze focus zal deze keer liggen op de laatste vertelling, de gelijkenis van de zoon die afreisde naar het vergelegen land. Maar we mogen ook zeker de aspecten van de andere twee vertellingen meenemen. Zo is de zoon in het vergelegen land ook waardevol, net als de penning. En daar in het vergelegen land is hij ook kwetsbaar, net als het schaap.

Maar het is belangrijk om te zien dat er in deze derde vertelling ineens staat: Een zeker mens had twee zonen. Van deze twee gaat er één naar het vergelegen land, de oudste blijft bij zijn vader. Bij eerste lezing lijkt het er dus op dat er ook in deze derde vertelling één verlorene is, de jongste zoon.

In de drie gelijkenissen ligt echter de focus niet op het verloren-zijn, maar op het gevonden-worden. Uiteindelijk is dát het wat het schaap, de penning en de zoon uit het vergelegen land kenmerkt: dat ze weer gevonden zijn. Belangrijker dan de vraag of de oudste zoon verloren is, is de vraag of hij óók gevonden wordt. In de vertelling blijft die vraag open. En is de oudste zoon wel zo ver verwijderd van dat vergelegen land?


Het vergelegen land

Er is door de geschiedenis heen al heel veel gezegd, geschreven en geschilderd (Henri Nouwen, Rembrandt!) over de gelijkenis van de verloren zoon. Ik wil nu de aandacht vestigen op één aspect, namelijk het vergelegen land zelf.

Om de betekenis van deze plaats beter te begrijpen, moeten we eerst onze aandacht vestigen op de rol van het eten in deze gelijkenis, en dat begint met het verwijt van de Farizeeën: Deze Man ontvangt zondaars... en eet met hen.

Het is opvallend hoe vaak in de derde gelijkenis van de twee zoons er over eten wordt gesproken; in de eerdere twee gelijkenissen gebeurt dat helemaal niet.

Wat de vertelling ons laat zien dat er alleen bij de vader goed te eten is. Dat lijkt in tegenspraak met wat we lezen in vers 13: de jongste zoon verkwistte zijn vermogen in een losbandig leven; dus aanvankelijk was het best goed toeven daar in het vergelegen land.

De vraag is echter of dat dankzij, of ondanks het vergelegen land was.

De jongste zoon bereikt het vergelegen land met de erfenis van zijn vader. Het is niet zozeer het vergelegen land dat hem in staat stelt om het er goed van te nemen, het is die erfenis. Wat draagt het vergelegen land dan bij? Het enige dat dit land de jongste zoon kan bieden, is de mogelijkheid om de erfenis van zijn vader verkeerd te gebruiken. Let er maar op dat in de gelijkenis er op geen enkel moment voedsel beschikbaar komt vanuit het land zelf. Sterker nog, onmiddellijk nadat de jongste zoon door zijn erfenis heen is, komt er hongersnood. Het is alsof het hele land eigenlijk op zijn zak heeft geleefd, of eigenlijk op de zak van zijn vader. We komen hier later nog op terug.

Wanneer de erfenis van de vader er niet meer is, wordt er dus honger geleden. Honger, als beeld van gebrek aan het meest fundamentele in het leven. Blijkbaar kon de jongste zoon zijn leven aanvankelijk nog wel even in stand houden, ook al had hij de band met zijn vader doorgesneden - omdat hij diens gaven nog had. Alsof dóór die gaven heen de vader zélf nog een beetje aanwezig was. Maar dan, uiteindelijk, is er niets meer. Een enorme leegte blijft over in het leven van deze jongste zoon.

En in dat land hebben varkens het in feite beter dan mensen; in ieder geval wordt zelfs hún eten hem onthouden. Het brengt de jongste zoon tot zichzelf, en hij realiseert zich dat er in zijn ogen misschien van alles aan te merken was geweest op het bedrijf van zijn vader - maar eten ontbrak er nooit. Zelfs voor de dagloners, die daar doorgaans helemaal niet zeker van konden zijn. En met alle vrijheid in dit vergelegen land lijdt hij ondertussen honger. Het vergelegen land biedt alles, behalve datgene wat nodig is.

Zodra de jongste zoon weer thuis is, komt het eten op tafel. In vers 23 lezen we de opdracht van de vader om het gemeste kalf te slachten. Het offer en het feest komen hier samen, net als bij de Oud-Testamentische tempeldienst, waar feestelijk eten opmerkelijk sterk verbonden is met zonde-vergeving door het offer.

We keren terug naar het vergelegen land. Wat moeten we daar nu onder verstaan?

Misschien klinkt het wat voor-de-hand-liggend, maar het vergelegen land is niets meer of minder dan het land waar de verloren zonen naartoe gaan. De jongste zoon is een beeld van een groep mensen, dus we mogen ons honderden, duizenden, miljoenen jongste zonen voorstellen die allen op weg gaan naar dat vergelegen land; en daar ontmoeten ze elkaar. Wat hebben ze gemeen? Dat ze de band met hun vader, God, hebben doorgesneden en nu alleen nog teren op Zijn gaven die ieder van huis heeft meegenomen. Ze vinden daar bij elkaar herkenning, érkenning, begrip. Ze steunen elkaar in hun beslissing om niet langer meer onder Gods leiding te leven.

En aanvankelijk is er geen vuiltje aan de lucht. Er wordt gefeest, er zijn geen belemmeringen en gewetenskwellingen. Men is bij elkaar en men zorgt vóór elkaar, want men deelt immers hetzelfde leven. En intussen kan men nog teren op de gaven die van het Vaderhuis zijn meegenomen.

Alleen - we hebben dat al gezegd - het vergelegen land voegt zelf niets toe aan die gaven, maar teert er slechts op als een parasiet. En dus is het niet verwonderlijk dat er uiteindelijk honger uitbreekt. Niemand kan helpen, want niemand heeft iets, of kan van zichzelf iets voortbrengen. Er is honger, en er is maar op één plaats voedsel.

Hoe moeten we dat vergelegen land nu duiden in ons eigen leven? Het vergelegen land is de plaats waar mensen de gaven van God gebruiken zónder een band met Hem te willen hebben. Over het algemeen is het de wereld, zoals we die om ons heen zien en ervaren. Nu kan dat de reactie van afkeer bij ons teweegbrengen, of afwijzing, waarmee we die wereld proberen te mijden. Dan zorgen we ervoor dat ons eigen leven zich afspeelt bij God en Zijn dienst, en zo ver mogelijk uit de wereld vandaan.

Een leven zoals dat van de oudste zoon.

Maar zie het vergelegen land eens met de ogen van de vader, die uitkeek over de weg totdat hij zijn zoon eindelijk weer in de verte kon ontwaren. En denk eens niet aan die éne zoon, maar aan die honderden, duizenden, miljoenen zonen die dat vergelegen land bevolken. Dat vergelegen land is zelf niets meer dan een woestijn, waar Gods zonen - en dochters uiteraard! - Zijn goede gaven naartoe hebben gebracht. Wij weten dat het een woestijn is, zij nog niet. Tenminste, soms laat de wereld iets van haar ware natuur zien, in rampen, oorlogen, epidemieën. Wanneer financiële zekerheden ineens als een nevel vervluchtigen. Dan gaan soms de ogen even open, van deze jongste zonen en dochters, en dan lezen we hun klachten in de krant. Dan zien we dat ze op zoek gaan, wanhopig, tot ze in de modder bij de varkens zitten.

Wat kunnen wij tegen deze mensen zeggen? Deze bewoners van het vergelegen land? Wat bracht de jongste zoon in de gelijkenis uiteindelijk terug? We lezen bij de jongste zoon niets over een diepe liefde tot zijn vader toen hij ‘tot zichzelf kwam’ bij de varkens. Misschien was die liefde er wel, misschien ook niet. Het speelde hoe dan ook geen beslissende rol bij zijn terugkeer, maar hij besefte eenvoudigweg dat hij zonder zijn vader dood zou gaan.

Waar de wereld, de verloren zonen en dochters, dus aan herinnerd moeten worden is het voedsel dat bij God te krijgen is. Opvallend genoeg lezen we nergens dat de vader zijn zoon waarschuwde voor dit vergelegen land toen hij zijn plannen bekendmaakte. De vader ging ook niet met zijn zoon mee, om hem daar te beschermen. Echter, behalve de erfenis in materieel opzicht nam de zoon ook iets mee dat in zijn hart verborgen lag - en pas op het uiterste moment zichtbaar werd. De eenvoudige wetenschap dat er bij zijn vader voedsel was. Op die wijze was de vader er tóch, daar, in het vergelegen land. Voor wie het wil zien, werkt Jezus hier uit hoe het concreet in een mensenleven gaat als de Herder der schapen het verlorene op Zijn schouders neemt en het terugbrengt. Dat kán wel door een bijzondere ervaring, maar dat hoeft dus niet. Dat de zoon 'tot zichzelf kwam' was voldoende. Hoe wonderlijk is dat, dat wanneer wij een overtuiging ervaren in ons hart, het Jezus is die ons op Zijn schouder draagt! Dan weten we ook gelijk dat het vanuit het perspectief van het verlorene werkelijk gaat om een vergelegen land; maar voor God is geen land te ver.

We ronden af.

Ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik stel dat we als kerkmensen de meeste gelijkenis vertonen met de oudste zoon. Volgens de vertelling blijft de oudste zoon bij zijn vader, terwijl zijn broer naar het vergelegen land vertrekt. De oudste zoon blijft dicht bij de vader.

Maar kijken we nog eens naar deze oudste zoon, terwijl we bedenken dat het vergelegen land de plaats is waar mensen de gaven van God gebruiken zónder een band met Hem te willen hebben, zoals we eerder hebben opgemerkt. De oudste zoon leefde eigenlijk evengoed in het vergelegen land, want ook hij wilde eten van zijn vader hebben om het zónder zijn vader, en mét zijn vrienden, te gebruiken.

Dat ‘vergelegene’ van het land zit hem dus niet in de letterlijke afstand, maar zegt iets over de afstand van ons hart tot God. Niet alleen onze onkerkelijke buurman in de straat leeft in het vergelegen land, maar misschien ook een buurvrouw in de kerkbank.

Of misschien leeft een deel van onszelf daar wel. Ook wanneer we God op tien centimeter afstand houden, leven we in het vergelegen land. De blijde boodschap van het leven-gevende voedsel dat bij God te krijgen is, is niet alleen voor anderen nodig, maar ook voor mij.

Jezus sluit de derde gelijkenis op een aangrijpende manier af. Het verzoek van de vader aan de oudste zoon kan worden gelezen als een oproep aan de Farizeeën die aan het begin van het hoofdstuk morden over het feit dat Jezus at met de zondaars. De gelijkenis van het verloren schaap sluit daarentegen af met de vrienden en buren die met de herder feest gaan vieren - en dat wordt op één lijn gezet met de blijdschap in de hemel. Deze blijdschap is de blijdschap van de engelen, lezen we in de gelijkenis van de verloren penning.

Evengoed zou je dus kunnen stellen dat deze gelijkenissen gaan over blijdschap, over feest. In de eerste twee gelijkenissen is deze blijdschap onvoorwaardelijk en intens, het is de hemel, het zijn de engelen die blij zijn. Is er ook maar iets in staat om daar afbreuk aan te doen?

De derde gelijkenis toont ons dat dat kan. Het is de oudste zoon die de vreugde van de hemel tart, die zich verheven voelt boven de blijdschap van de engelen. Dan is de oudste zoon niet 'slechts' evengoed een verloren zoon als zijn jongere broer, dan is hij oneindig veel erger. Vanwege zijn weigering om deel te nemen aan het feest, zwijgt in deze derde vertelling de hemel. 

Gelukkig heeft de gelijkenis van de zoon die terugkeerde uit het vergelegen land een open einde. Een open einde dat in onze handen wordt gelegd; de vader wacht op antwoord.

Spiegel en Licht

Conservatief en progressief

Er wordt wel eens gezegd dat de Kerk ongeveer vijftig jaar achterloopt op de niet-gelovige wereld. Vanuit een soort verkrampt conservatisme probeert de Kerk zo lang mogelijk vernieuwingen buiten de deur te houden, maar na verloop van tijd kruipen de veranderingen toch binnen. Het beeld ontstaat van een Kerk die als een loden bal de vooruitgang tegenwerkt, maar uiteindelijk toch wel meegesleept wordt.

Begin 2022 waren er twee onderzoeken, van het ND en de Trouw, over de situatie waarin de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk zich tegenwoordig bevindt. Er blijkt een tweespalt te zijn tussen de gewone, progressieve gelovigen en de behoudende kerkleiding. De gewone gelovigen hebben liever vandaag dan morgen de kerkelijke zegening van het homo-huwelijk en vrouwelijke priesters. Maar de officiële leer van de Kerk is anders, en dus houden de bisschoppen het bij het oude. In een redactioneel commentaar roept de Trouw dan ook op: Bisschoppen, sta dichter bij de gelovigen. In feite wordt er bedoeld: bisschoppen, volg je progressieve kudde. Doe wat de rest ook doet.

Nu valt er over het woord progressief op zichzelf genoeg te zeggen, G.K. Chesterton heeft eens betoogd dat het doorgaans meer inspanning kost om iets te conserveren dan om met het water van de tijdgeest mee te drijven. Progressief-zijn klinkt dus actiever dan het misschien in werkelijkheid is.

Maar los daarvan kunnen we stellen dat de progressieve kudde hier in feite de niet-christelijke wereld heeft gevolgd, en Trouw roept de leiding van de Kerk op om hetzelfde te doen.


Spiegel

De wereld buiten de Kerk was in het nog niet al te lang vervlogen verleden een gekerstende samenleving. In de afgelopen honderd jaar schudt deze wereld steeds meer af van die kerstening, in zekere zin zouden we de buitenkerkelijke wereld kunnen beschouwen als een puber die zijn of haar eigen weg wil kiezen en de ouders confronteert met vragen waar ze nog nooit bij stil hebben gestaan. Deze vragen kunnen confronterend zijn en nopen regelmatig tot herbezinning.

De vragen en klachten die de buitenkerkelijke wereld bij de Kerk brengt functioneren voor wat die Kerk betreft als een spiegel. Uit de klachten blijkt dat er buiten de Kerk een realiteit is waar - in ieder geval vanuit het gezichtspunt van de wereld - de Kerk niet altijd adequaat op reageert. De rol van de vrouw in de samenleving is hiervan een goed voorbeeld. Honderdvijftig jaar geleden stond de samenleving onder de leiding van louter mannen, van overheid tot gezin. De feministische emancipatiebeweging heeft in de Kerk nooit een bondgenoot gevonden, maar nu - na honderdvijftig jaar - zijn er zelfs onder de behoudenden nog maar weinigen die vinden dat wat dit betreft de klok volledig zou moeten worden teruggedraaid. Dat meisjes kunnen studeren vindt vrijwel iedereen volstrekt normaal. En dus kunnen we stellen dat de vrouwenemancipatie ook de Kerk terecht een spiegel heeft voorgehouden.

Uit de onderzoeken van Trouw en het ND komt onder andere homoseksualiteit ter sprake. Recenter dan de vrouwenemancipatie houdt de wereld hier de Kerk opnieuw een spiegel voor, namelijk, dat er mensen zijn die tot dusver altijd op de achtergrond gebleven zijn uit angst voor een schandaal - juist in de Kerk. Buiten de Kerk zijn de homoseksuele mensen in ieder geval officieel met open armen ontvangen. Zal de Kerk over vijftig jaar net zo denken over homoseksualiteit als over de vrouwenemancipatie? Blijkens de redactionele oproep van Trouw lijkt de krant die verwachting wel te hebben.


Twee uitersten

Hoe dan ook wordt de Kerk opgeroepen om te reageren. En wat betreft een mogelijke reactie  zijn er twee extremen.

De ene mogelijkheid is dat de oproep geheel wordt gevolgd. In sommige cartoons wordt een dergelijke stap uitgebeeld, waarbij de Kerk haar dogma's herziet tot en met de Bijbel zelf. Die dogma's zijn immers vosltrekt verouderde relicten uit de oertijd. De Bijbel is geschreven in een tijd die niet te vergelijken is met de onze. We zijn inmiddels verder ontwikkeld, en het is dwaas vast te blijven houden aan die verouderde denkbeelden.

De andere, tegengestelde, mogelijkheid is dat de Kerk vindt dat er geen antwoord hoeft te komen op vragen die niet vanuit de Kerk zelf ontstaan. De vraag van de buitenkerkelijke wereld wordt genegeerd, en zelfs beschouwd als gevaarlijk. De buitenkerkelijke wereld is niet alleen buitenkerkelijk, die wordt ook beschouwd als tegen-kerkelijk en anti-christelijk.

Beide opties zijn onbevredigend. We hebben inmiddels genoeg voorbeelden van kerkelijke gemeenschappen die volledig zijn meegegaan met "de tijd". Aanvankelijk hebben deze gemeenschappen nog aantrekkingskracht, omdat ze doorgaans sterk sociaal geëngageerd zijn. Maar het onderscheid tussen een dergelijke kerkelijke gemeenschap en een niet-christelijke hulporganisatie vervaagt snel. Verder (en wellicht daardoor) vergrijzen ze in hoog tempo.

De optie van de isolatie en wereldmijding heeft als pré dat de radicaliteit van het Evangelie blijft staan. Maar tegelijkertijd wordt de band met de buitenwereld soms zó definitief doorgesneden dat dit Evangelie de kerkmuren nooit meer verlaat en niet meer zichtbaar is in de maatschappij. De Kerk draait dan de wereld de rug toe en sluit voor de wereld de deuren toe.


Spiegel - en licht

Is er een mogelijke tussenweg?

Die tussenweg begint met het serieus nemen van de vragen en klachten uit de buitenkerkelijke wereld, en het openhouden van de mogelijkheid dat we binnen de Kerk een blinde vlek hebben voor bepaalde reële problemen. Er kan een vorm van zelfgenoegzaam farizeïsme groeien dat niet alleen zonde weert maar ook hele groepen mensen - omdat we die mensen bijvoorbeeld vanwege hun leefstijl niet vinden passen bij de heiligheid van de Kerk. 

De maatschappij van vandaag stelt aan de Kerk bijvoorbeeld de vraag wat het betekent om een mens te zijn met een homo-seksuele oriëntatie. De Kerk moet zich dan allereerst realiseren dat het hier in de eerste plaats om mensen gaat, mensen die in het verleden zondermeer werden genegeerd, verguisd, doodgezwegen. Mensen die hun seksuele oriëntatie echter niet verzinnen, maar voor wie het een essentieel onderdeel vormt van wie ze zijn.

De buitenkerkelijke wereld vraagt van de Kerk om deze mensen net zo te ontvangen als ze zelf doet, namelijk door homo-seksuele relaties volledig te accepteren (tot op het homo-huwelijk toe). Dit lijkt een volstrekt logische vraag, immers, er wordt zo op een zeer directe manier voldaan aan de innerlijke behoefte van de homo-seksuele medemens. De Kerk zou zelfs de indruk kunnen wekken liefdeloos te zijn door star vast te blijven houden aan oude denkbeelden.

Voor het begaan van een goede middenweg tussen star conservatisme en meedrijven met de populaire cultuur is het belangrijk om de vraag en het voorgestelde antwoord van elkaar te scheiden. De vraag hoort hoe dan ook als zeer nuttige spiegel serieus te worden genomen. Echter, het buitenkerkelijk geformuleerde antwoord op die vraag kan niet zonder kritisch beschouwen worden overgenomen.  

Want de oplossingen die de buitenkerkelijke wereld aandraagt zijn misschien wel logisch en voor-de-hand-liggend, maar ze komen per definitie niet of slechts indirect uit een christelijke bron. Meer mogen we van de buitenkerkelijke wereld ook niet verwachten. Zonder Christus bevindt die wereld zich namelijk in duisternis.

Wat de Kerk te doen staat, is het licht van Christus ontsteken temidden van die duisternis. Dat licht van Christus toont ons de werkelijke aard en waarde van de mens. En daar waar de buitenkerkelijke wereld de mens met pijnstillers tevreden moet houden, kan de Kerk een medicijn voorschrijven. Nogmaals, dankzij de spiegel die de wereld de Kerk voorhoudt, ziet de Kerk beter waar de nood is. Maar de Kerk heeft in Christus zoveel betere middelen om die nood te lenigen dan de wereld zich ook maar voor kan stellen.

De oproep van Trouw aan de bisschoppen om 'dichter bij de gelovigen' te gaan staan, zou ik daarom om willen draaien: Laten de gelovigen weer dichter bij de bisschoppen gaan staan. Als de Kerk naar de wereld gaat kijken voor oplossingen is er weinig hoop te verwachten. Hoop voor de wereld is er juist in de Kerk, omdat Christus daar is.

Het grootste gevaar is dat de Kerk zélf niet langer meer weet wat voor middelen haar ter beschikking staan. Dat, bijvoorbeeld in het geval van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, de bisschoppen aan het twijfelen gaan slaan. Als de gelovigen weer dichter bij de bisschoppen moeten gaan staan, dan geldt voor de bisschoppen óók dat ze verbonden moeten blijven met de Kerk van alle eeuwen. Alleen op die manier zijn ze in staat om het licht van de waarheid  in Christus weer te ontdekken, en is de Kerk in staat om dat licht door te geven.

Laten we de deuren van de Kerk wijd open zetten, niet om de wereldlijke opvattingen binnen te laten, maar om de genade van Christus naar buiten te laten. Waarom zouden we bang zijn? Bang misschien dat het medicijn weerstand zal oproepen? Als we overtuigd zijn van de waarde van dat medicijn zal dat ons er toch niet van weerhouden om het de wereld te blijven aanbieden?


vrijdag 21 januari 2022

John de Mol en John Paul II

The Voice of Holland

Ik weet weinig tot niets af van programma's zoals The Voice (of Holland) en vergelijkbare programma's op televisie. Dat komt onder andere omdat ik in de gelukkige omstandigheid ben opgegroeid dat we thuis geen televisie hadden, en ik op een vrij natuurlijke manier afstand heb blijven houden tot de wereld van de televisie-entertainment.

Dat veranderde wel iets met de komst van het internet. En zo kon het zijn dat ik toch wat nieuwsgierig de uitzending van Tim Hofman bekeek, op 20 januari. Er bleek al jaren een programma op tv te zijn geweest waarin al dan niet jonge talentjes werden gescout en begeleid door beroemdheden met voor mij vaag bekende namen als Borsato en Ali B. En er bleken dingen mis te zijn gegaan tussen het 'personeel' van John de Mol en de deelnemers aan diens programma. Deelnemers kregen ongevraagd plaatjes van mannelijke geslachtsorganen, of voelden zich onder druk gezet om seksuele handelingen te verrichten.


John de Mol

Niet alleen de slachtoffers kregen uitgebreid de gelegenheid om hun verhaal te doen, ook opperbaas John de Mol kreeg ruim de tijd voor zijn inzichten. Uit de reacties die de volgende dag verschenen, bleek hoezeer de slachtoffers hadden gehoopt op begrip. Begrip dat onvoldoende uit de verf kwam, erkende John ook later.

Zijn aanvankelijke advies was: klaag gerust over dingen die verkeerd gaan. Hij was er eigenlijk verbaasd over dat vrouwen zoveel drempels ervaren om dat te doen. Hoewel zijn advies om problemen niet onbenoemd te laten uiteraard prima is, wekte hij de indruk dat hij de bal bij de slachtoffers legde. Zolang er niet geklaagd werd mocht hij er toch vanuit gaan dat alles goed was?

De reacties van de slachtoffers de volgende dag maakte helder dat deze opvatting van John de Mol niet juist is. Er kan een situatie zijn waarin er geen ruimte wordt ervaren om om hulp te vragen. Een situatie waarin het zelfs kan lijken dat er wederzijdse toestemming was voor seksueel contact, maar waarin in feite sprake was van dwang.


Het probleem

Maar dat is een lastig te onderscheiden punt. In het gesprek met John de Mol lag de focus dan ook op de rol van macht. Het idee is dan dat het niet verstandig is, of zelfs niet hoort, dat iemand een relatie heeft met een ander die van hem/haar afhankelijk is. In het geval van The Voice zou een coach zijn invloed kunnen inzetten als pressiemiddel, zelfs onbedoeld. Dit lijkt een helder punt, hoewel John de Mol zelfs hier - tot ieders verbijstering - onvoldoende zicht bleek te hebben op hoe dit in de praktijk werkt en hoe deelnemers kunnen opkijken tegen mannen waar John zélf (uiteraard) helemaal niet naar opkijkt.


'Consent' als oplossing?

De conclusie van de uitzending lijkt te zijn dat er voor seksueel verkeer 'consent' moet zijn, toestemming, en dat dit consent op basis van gelijkwaardigheid moet zijn.

Deze term consent komt ook voor in één van de ervaringsverhalen in de video van Tim Hofman. Een meisje beschrijft - ongeveer vanaf 30 minuten in de video - de situatie op een zogenoemd schrijverskamp. Achtereenvolgens zegt ze dat ze door Ali B wordt betast, daarvan wegloopt met iemand anders die ze toevallig kent, seksuele handelingen verricht met die andere persoon onder de douche, plotseling door Ali B opnieuw wordt betast tijdens dat douchen, en tenslotte door Ali B wordt 'gepusht' om bij hem seksuele handelingen te verrichten.

Op het moment dat Ali B haar de tweede keer betast, vertelt ze hem of hij niet van consent heeft gehoord. Dat is voor haar het kantelpunt: de seksuele handelingen bij de andere persoon waren daardoor oké, maar bij Ali B niet.

Voor het slachtoffer was dit helder. Het is echter de vraag of het voor Ali B ook net zo helder lag. Neem het voorbeeld van een drankje dat wordt aangeboden: iemand kan dat - uit beleefdheid - de eerste keer weigeren, en dan na wat aandringen tóch aanvaarden. Voor mannen als Ali B kan de hele affaire zijn ervaren als gewoon wat extra aandringen, het meisje over de schroom heenhelpen. Het hangt erg van de karakters af wanneer iets als dwang wordt gezien.

Het gevaar bestaat vervolgens dat er een kramp ontstaat, waarbij er altijd de onzekerheid bestaat of iemand wel écht consent heeft gegeven. Als het zelfs niet eens objectief vast te stellen is wanneer er sprake is van een machtsverhouding, zoals het gesprek met John de Mol liet zien, wordt dit hele consentgebeuren louter subjectief.


Het werkelijke probleem

Opmerkelijk is dat er niet werd gesproken over de betekenis van seksuele handelingen op zichzelf. Het ging slechts over de vraag of en wanneer er sprake is van dwang bij het verrichten van deze handelingen. Omdat de vraag naar de aard van deze handelingen niet werd gesteld, is het niet verbazingwekkend dat er maar moeilijk een antwoord kan worden gevonden.

Vooropgesteld: het is helder dat consent ten allen tijde de voorkeur heeft boven dwang. De vraag is echter of seksuele handelingen onder consent daarmee op zichzelf altijd goed zijn.

Wat dat betreft is het opvallend dat het principe van consent zelfs in de 'Church of Satan' van Anton LaVey is opgenomen, als vijfde in de lijst van elf 'geboden':

5. Do not make sexual advances unless you are given the mating signal. 

In het aangehaalde verhaal van het meisje in de douche is het duidelijk dat Ali B deze vijfde regel van het Satanisme heeft overtreden. De focus op consent past heel goed binnen de principes van het Satanisme. Geen seks zonder consent, maar als en zodra er consent is, kan elke vorm van seks. Met wie dan ook.


Johannes Paulus II

Om dit vanuit christelijk perspectief te beschouwen, is een theologie rondom het lichaam nodig. In de beginjaren '80 heeft Paus Johannes Paulus II een serie catecheses gegeven met the theologie van het lichaam als thema. Deze catecheses zijn later gebundeld en als boek uitgegeven. Overigens zijn de catecheses berucht vanwege de moeilijkheidsgraad, en zeker voor mij als niet-katholiek zijn ze erg ontoegankelijk. Toch meen ik dat er juist in deze catecheses antwoorden liggen die veel verder helpen dan het moeilijk te objectiveren principe van consent. 

Want Johannes Paulus II gaat wel degelijk in op de vraag wat seksualiteit zélf betekent. De vraag wanneer seksuele handelingen gepast zijn, is secundair; al vloeit het antwoord op die vraag wel voort uit de intrinsieke betekenis van seksualiteit. Voor Johannes Paulus II draait het rondom goede seksualiteit om de zelfgave van de één aan de ander. Niet om het geven van iets aan de ander, maar om het geven van jezelf. Het lichaam spreekt tijdens deze gave zijn eigen taal; en deze taal van zelfgave mag niet in tegenspraak zijn met de bedoeling die mensen kunnen hebben tijdens de seksuele omgang.

Deze grove samenvatting doet volstrekt geen recht aan Johannes Paulus II's complexe gedachtengang; het is in hoofdzaak datgene wat mij is bijgebleven na de bestudering van zijn werk. En het is interessant om dit principe van zelfgave eens te leggen naast het eerder aangehaalde interview van één van de slachtoffers. 


De oplossing

Vanuit christelijk/bijbels perspectief was de seksuele handling mét consent die het meisje verrichtte al problematisch. Was het een daad waarin de zelfgave zichtbaar werd? Of was het een daad waarin puur een bepaald lichamelijk verlangen werd bevredigd? De situatiebeschrijving uit het interview laat hier weinig twijfel over bestaan. Deze puur materialistische kijk op seksualiteit zorgt ervoor dat het zicht op wat het werkelijk betekent om mens te zijn, vertroebelt. Paus Johannes Paulus II wijst er nadrukkelijk op dat de seksualiteit van man en vrouw direct is gekoppeld aan het feit dat de mens naar Gods beeld is geschapen, dat het dus te maken heeft met ons wezen, met wie we werkelijk zijn. Seksualiteit is niet zomaar iets wat fijn en lekker is, het raakt ons in ons diepste bestaan.

Johannes Paulus II werkt dit verder uit, en onderstreept het belang van de band tussen seksualiteit en huwelijk. Tussen seksualiteit en het krijgen van kinderen. De lijnen die hij trekt staan mijlenver af van hoe de seculiere denkers dit zien, en het interview met het meisje bewijst dat op een ingrijpende manier.

Maar als we - in navolging van Paus Johannes Paulus II - weer onze eigenwaarde gaan baseren op wat de Bijbel zegt, hebben we tegelijkertijd een antwoord op de problemen die rondom The Voice zijn ontstaan. Dan weten we dat consent niet het één en al is, ook al is het te prefereren boven dwang. Om de waarde van seksualiteit te begrijpen, moeten we leren wie we zelf zijn, hoe we door God zijn bedoeld. En vervolgens moeten we leren dat seksualiteit een bijzondere uitdrukking is van onvoorwaardelijke zelfgave aan de ander.

Wanneer dit functioneert, is een situatie zoals bij The Voice uitgesloten. In de gebroken wereld van het hier en nu zal dat nooit volmaakt zo zijn, maar waarom er niet met alle inzet naar streven?