donderdag 13 juli 2023

Gelovige Filistijnen

Wat het Tweede Vaticaans Concilie bepaalde over de verhouding tussen de Kerk en andere godsdiensten is stof geworden voor veel discussie. Voor de één gaat de Kerk hiermee niet ver genoeg en ziet de Kerk zich nog teveel als de enige, centrale plek waarvandaan de waarheid stroomt. Voor de ander geeft de Kerk juist teveel ruimte en eer aan niet-christelijke geloofsovertuigingen, die als dwaalleer en afgoderij zouden moeten worden afgewezen.


We lezen in Nostra Aetate, paragraaf 2:


De Katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en leefregels … die … toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht.


In hoeverre is die straal die de Waarheid weerspiegelt bijbels te onderbouwen? Om daar achter te komen gaan we een episode uit 1 Samuël 4-6 bestuderen waarin we meer te weten komen over het godsdienstig begrip van de Filistijnen.


De Filistijnen

In 1 Samuël 4 begint een uitzonderlijke geschiedenis, waarbij de ark van het verbond meer dan een half jaar in handen is van de Filistijnen - een volk dat niet zomaar een vijand is van Israël maar, zeker in de context van 1-2 Samuël de vijand. Het is het volk dat Goliath zou voortbrengen als ultieme contrast met het door God gezegende koningsschap van David; op het moment dat de geschiedenis met de ark speelt zijn we daar een aantal tientallen jaren van verwijderd. Het is daarom des te opvallender hoe de bijbelschrijver in 1 Samuël 4 e.v. de houding van de Filistijnen weergeeft.

Ik wil vanuit de invalshoek van de Filistijnen naar deze geschiedenis kijken; om vervolgens lessen te kunnen trekken voor ons begrip van niet-christelijke culturen en godsdiensten in het algemeen.


Godsbeeld

Wat als eerste opvalt is het Godsbeeld dat de Israëlieten hebben van de HEERE en hoe de Filistijnen Hem beschouwen.


De manier waarop de Israëlieten spreken in hoofdstuk 4 wekt de indruk dat ze er vanuit gaan dat de HEERE hen vanzelfsprekend helpt. Er spreekt verbazing uit vers 3: …Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Het antwoord op die vraag wordt niet gezocht bij hun eigen geestelijke gesteldheid, maar bij de HEERE Zelf - Hij was niet ‘aanwezig’ en door de ark mee te nemen dwingt het volk als het ware Zijn aanwezigheid af. Het volk staat hier boven God, en niet andersom. God, en eigenlijk alleen Zijn ark, is een hulpmiddel voor hun oorlog. Het einde van vers drie is ambivalent: … opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden, ‘die’ kan slaan op de ark, of slaat het toch op God? In vers 4 lijkt de bijbelschrijver haast hoofdschuddend op te merken dat ze de ark van de HEERE van de legermachten meenamen, alsof het volk eigenlijk nauwelijks besefte waar ze mee bezig waren.


De houding van de Filistijnen daarentegen is heel anders. Oppervlakkig gezien sluit hun denkwereld bij die van de Israëlieten aan; want ook zij verwachtten dat de aanwezigheid van de ark in het leger verschil gaat uitmaken. Maar in tegenstelling tot het volk van Israël spreken de Filistijnen vol ontzag over de HEERE. Hun heiden-zijn blijkt uit het feit dat ze over meerdere goden spreken, maar ze erkennen de wonderen die God deed in Egypte; iets waar we Israël niet over hebben gehoord. Waar het Israël vooral ging om de ark, is Israëls God voor de Filistijnen een bittere realiteit.


Concluderend kunnen we ons hier afvragen welk volk op dit moment een juister begrip of beeld had van wie de HEERE is. Het is helder dat het beeld van de Filistijnen onvolkomen was, maar ze hadden wel een belangrijke kern te pakken waardoor ze de HEERE serieus namen. En dat laatste kan moeilijk worden gezegd van Israël. Zij beschouwen de ark als magisch object en de HEERE als een God waarover ze zelf kunnen beschikken.


Respect

We vervolgen de geschiedenis. Eli en diens schoondochter lijken in Israël de enigen die de situatie op waarde weten te schatten; we laten hun reactie even rusten.


In hoofdstuk 5 zien we dat de Filistijnen de ark meenemen en vervolgens in de tempel van Dagon zetten. Daar zitten twee kanten aan: allereerst betekende dit dat ze de conclusie trokken dat hun god Dagon de overwinning had behaald op de God van Israël, en als zodanig kan het gezien worden als belediging dat de ark als een trofee voor Dagon in zijn tempel wordt gezet. Tegelijk werpt dit een bepaald licht op de hele geschiedenis die vanuit de Israëlische kant ontbreekt.


Want waar Israël de oorlog zag als een strijd tussen het volk Israël en het volk van de Filistijnen, ligt de nadruk in hoofdstuk 5 wat de Filistijnen betreft op de strijd tussen Dagon en de HEERE. Oftewel, de Filistijnen staan dan misschien aan de verkeerde kant, ze denken wel geestelijker.


In de vertelling valt daarbij op dat in hoofdstuk 4 Israël de ark uit de tabernakel haalt, en de Filistijnen de ark in de tempel zetten. Hoewel ze de HEERE als verslagen beschouwen, erkennen ze tegelijkertijd dat Hij toch op goddelijk niveau staat en geven ze Hem ook - zelfs door Hem voor Dagon te vernederen - dat respect.


Hoever dat respect gaat, blijkt uit vers 5. Zelfs een vernederde Dagon verdient volgens hen zoveel respect dat bezoekers van de tempel rekening houden met waar de delen van het beeld zijn gevallen. De bijbelschrijver lijkt te willen zeggen: als Dagon al zoveel respect krijgt, hoeveel meer zou de HEERE dan niet moeten ontvangen?


Ongelijk

Dat het om een strijd gaat tussen Dagon en de HEERE is niet uit de lucht gegrepen, maar wordt in hoofdstuk 5 in detail uitgewerkt in de verzen 3 tot en met 5. Dit onderstreept gelijk een belangrijk punt, namelijk dat volk en God of goden niet met elkaar vereenzelvigd moeten worden.


Want hoewel de Filistijnen er in dit verhaal een stuk beter vanaf komen dan de Israëlieten, geldt dit niet voor de god van de Filistijnen. Het symbool van de godheid Dagon valt aan stukken voor het symbool van de aanwezigheid van de HEERE. Aan Dagon is dus niets goeds te ontdekken, niets dat mogelijk waardevol zou kunnen zijn. Hij ligt verbrijzeld op de grond, in zijn eigen tempel notabene.


De geestelijke strijd tussen de HEERE en Dagon wordt dus uiteindelijk door de HEERE beslist; maar in dit verhaal gebeurt dat zonder tussenkomst van mensen - zonder de inzet van Zijn eigen volk Israël; sterker nog, ondanks de handelingen van Zijn eigen volk. Zowel Filistijnen als Israëlieten staan op afstand in de verzen 3 en 4 van hoofdstuk 5.


Eer

De ark die de Israëlieten zo makkelijk naar hun hand probeerden te zetten, blijkt voor de Filistijnen een dodelijk object. Maar de Filistijnen gebruiken hun verstand, en hun verstand vertelt hun, bij het zien van de rampen die hen treffen, dat ze de ark niet kunnen beheersen - hij is ‘groter’ dan zijzelf aankunnen. Die erkenning houdt nogal wat in, en hoewel de Filistijnen tot deze erkenning gedwongen werden, hebben ze zich hoe dan ook vernederd voor de God van Israël.


De vorsten van de Filistijnen vragen om hulp bij de priesters (van Dagon) en de waarzeggers; de lokale geestelijkheid. In hoeverre hebben deze mensen, in dienst van afgoderij en bijgeloof, een zicht op de geestelijke realiteit?


Veel, opmerkelijk veel. We zien in hun adviezen uit hoofdstuk 6 een aantal zaken die we node misten bij Israël. Allereerst is er de notie van verzoening. De Filistijnse geestelijkheid ziet de rampen die hen troffen als een straf voor de manier waarop ze met de ark (en daarmee ook met de HEERE) zijn omgegaan. Als genoegdoening sturen ze gouden afbeeldingen van diezelfde straffen met de ark mee. Daarmee verbinden ze heel zichtbaar en direct de rampen met wat ze de HEERE hebben aangedaan, als een aanvaarding van de rechtvaardigheid van Gods oordelen over de Filistijnse steden.


Ook zien we - opnieuw - dat de heidense priesters de geschiedenis van het volk Israël en Gods handelen daarin goed kennen; twee keer noemen ze de Egyptenaren. Dit in tegenstelling tot Israël dat uit deze geschiedenissen heel goed hoop had kunnen putten maar het niet deed.


Tenslotte laten de Filistijnse geestelijken een opmerkelijke en haast wetenschappelijke nuchterheid zien. Hoewel alles erop lijkt te wijzen dat de rampen worden veroorzaakt door de aanwezigheid van de ark in hun land, houden ze door middel van een soort proefopstelling de optie open dat het gewoon toeval was (hoofdstuk 6, vers 9). Deze nuchterheid is aan de ene kant bewonderenswaardig - erg bijgelovig waren ze blijkbaar niet - maar het geeft aan de andere kant ook de harde grens aan van hoe ze naar de HEERE kijken. Ze erkennen Zijn bestaan, ze erkennen dat ze Hem verkeerd hebben behandeld, maar hun verzoeningsoffer krijgt door deze houding ook een hoog “baat het niet, dan schaadt het niet” karakter. Ze zien de HEERE als een god zoals alle andere, eentje die je soms even tevreden moet stellen en dan kan je weer gewoon je gang gaan.


Conclusies

Wat heeft deze geschiedenis ons te zeggen?


Allereerst wijs ik erop dat de Filistijnse priesters en andere ‘geestelijken’ een verrassend inzicht hadden in wat er gaande was. En dat kan ook nu nog gelden. Een imam, hindoepriester of boeddhistische monnik kan meer begrijpen van bepaalde bijbelse ideeën dan een volstrekt seculier persoon. Maar ook een atheïstische filosoof begrijpt de metafysische problemen beter dan iemand die zich alleen om het hier en nu bekommert en daar verder niet over nadenkt. Het is dus niet zo dat het geestelijke gesprek met iemand die dieper, inniger verbonden is met een andere godsdienst of ideologie, daarmee automatisch moeilijker is dan met iemand die niet zo verbonden is met zijn of haar godsdienst.


In deze lijn merkt het Tweede Vaticaans Concilie in Nostra Aetate op dat andere godsdiensten een ‘straal van de Waarheid’ weerspiegelen (zie hierboven). Die ‘straal van de Waarheid’ vinden we hier bij de Filistijnen terug, maar ze zijn in de Bijbel niet de enigen - denk bijvoorbeeld aan de koningin van Scheba, en de Sidonische weduwe uit Zarfath die meer geloof had dan menig Israëliet. 


De les is dus dat er momenten kunnen zijn waarbij heidenen een beter zicht op God hebben dan zij van wie dat eigenlijk zou mogen worden verwacht. De reden hiervoor ligt niet zozeer in de bijzondere eigenschappen van de heidenen, maar vooral dat het volk van God op die momenten dramatisch is afgedwaald.


Dat afdwalen moet ons voorzichtig maken met bepaalde waarheidsclaims. Israël dacht ten onrechte dat ze te allen tijde de beschikking hadden over de HEERE. Als wij menen dat we de waarheid aan onze kant hebben, en daarbij dus stellen dat God met ons is en niet met de tegenstander, dan doen we er goed aan om eerst te zien of we zelf wel op de goede plek zijn. 


Dit bekent tenslotte niet dat dit geestelijke inzicht dat we bij anders-gelovigen aantreffen, volmaakt en voldoende zou zijn. We hebben in het verhaal van de ark in het land van de Filistijnen gezien waar de grenzen van hun inzicht lagen. Ook moeten we onderscheid maken tussen de praktijk van de niet-christelijke gelovigen aan de ene kant en de geloofsovertuiging zelf of de godheid die men dient aan de andere kant. Tenslotte mogen we niet vergeten dat het verblijf van de ark in hun land voor de Filistijnen maandenlang een grote kwelling was, vanwege Gods straffen.

Het is vooral in contrast met Israël dat de Filistijnen er bijzonder gunstig vanaf komen. Allereerst hebben de anders-gelovigen (hoe wijs en diep van inzicht ook) het evangelie nodig, zoals Vaticanum II in Nostra Aetate in paragraaf 2 verder stelt: 

Zij (de Kerk) verkondigt en moet zonder ophouden verkondigen de Christus, die is ‘de weg, de waarheid en het leven’. 

maandag 26 juni 2023

Het uitroeien van de valse godsdienst (NGB 36)

 Ik vind het de taak van de politiek om de christelijke gemeenschap hier te beschermen en dus ook moslims te weren.

- Mathijs van der Tang (in: Rutger en de Nationalisten, Powned)


Wist je dat C.S. Lewis zegt dat hij sprankeltjes van God ziet in alle wereldreligies? Hoe denk jij daarover?

- medestudente Theologie


En hun ambt is ... ook de hand te houden aan den heiligen kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen...

- Nederlandse Geloofsbelijdenis, Artikel 36


Artikel 36 van de NGB is een wat ongemakkelijke tekst in het postmoderne klimaat van de 21e eeuw. De wrijving tussen Mathijs van der Tang en de SGP (jongeren) is daar zeker een bewijs van, want behalve de SGP is er in Nederland geen partij die nog veel ziet in een theocratie.

En artikel 36 heeft toch wel theocratische trekjes, zo op het eerste gezicht. Waarbij het mij overigens van het hart moet dat - in aanvulling op wat Mathijs van der Tang stelt - de valse godsdienst niet alleen bestreden moet worden, maar juist ook het positieve van het (ware) christelijke geloof moet worden bevorderd. De vromen moeten worden beschermd volgens de NGB, zeker, maar daar eindigt het niet.

Het is ook een stuk minder eenvoudig dan het lijkt. Aan van der Tang zou ik de vraag willen stellen wat de maatstaf gaat worden als de overheid artikel 36 ter harte zou nemen, ofwel: wat is de waar en wat is vals? Wat blijft er nog aan 'ware' kerken over als we de maatstaf van artikel 29 pakken (een reine prediking, reine bediening van de sacramenten)? Kan zijn eigen kerk daar de handtekening onder zetten?

Gedachte-experimenten

De NGB is opgesteld in een tijd waarin de lage landen zich vrijvochten van het onderdrukkende Spaanse, katholieke regime. Het was niet zo moeilijk om de valse kerk daarmee te identificeren. In principe zou, met een ongewijzigde tekst van de NGB, de Rooms-Katholieke Kerk ook vandaag nog moeten worden beschouwd als valse kerk door hen die de NGB onderschrijven. In theorie is dat ook het geval.

Nu echter het volgende gedachte-experiment. Stel, een volstrekt seculiere regering besluit dat alle Mariakapelletjes in het zuiden van het land moeten worden vervangen door ondergrondse vuilcontainers, omdat deze kapelletjes in de openbare ruimte een te sterk christelijk stempel drukken en niet 'inclusief' genoeg zijn naar anders-gelovigen. Zouden we - met de NGB in het achterhoofd - daar vóór of tégen stemmen?

Het jaar erop komen er klachten binnen bij de regering over een ophanden zijnde Stille Omgang in Amsterdam, waarbij een eucharistisch wonder wordt herdacht uit de middeleeuwen. Tijdens die wandeling is er hier en daar een kruis te zien met de letters I.H.S., verwijzend naar Christus. De regering is van mening dat een dergelijk religieus vertoon mogelijk als kwetsend kan worden ervaren door anders-gelovigen en verbiedt de processie; en daarmee ook alle ándere processies met crucifixen en heiligenbeelden. Het kruis wordt uitgebannen uit de straat. Zouden we er vóór of tégen stemmen?

Weer een jaar later: In een Zuid-Amerikaans land waar niet-katholieken te klein in aantal zijn om op te vallen, besluit een marxistische regering dat het tijd wordt om het bijgeloof van de transsubstantiatie aan te pakken. De eucharistie wordt verboden. Wat vinden wij?

De islam

Maar Mathijs van der Tang hád het helemaal niet over de Rooms-Katholieken. De reden hiervoor is ongetwijfeld dat het papisme voor hem op dit moment niet zó problematisch en bedreigend is als dat het was voor zijn gereformeerde voorvaderen.

Nee, hij noemt de islam als dreiging. Een dreiging die voor de NGB van een heel andere orde was (joden en islamieten worden in één adem genoemd in artikel 9 als het gaat over de drie-eenheid). Opvallend is wat van der Tang noemt als het gaat over landen waar de islam het 'voor het zeggen' heeft: als twee druppels water lijkt het op de Spaanse Inquisitie. Voor hem heeft de islam het stokje van de Rooms-Katholieke Kerk overgenomen.

Nu is daar wel iets voor te zeggen - immers, de Katholieke Kerk in het Westen is niet meer dezelfde als vroeger; en voor wat de islam betreft kennen we de beelden van IS. We zouden daarmee kunnen stellen dat we in de geest van de NGB handelen door de overheid op te roepen de islam actief te bestrijden.

Uitroeien - van wát?

Het is wat mij betreft echter de vraag of dit niet te simpel is gedacht. Het is makkelijk: een heldere, eenduidige vijand - de islam - en impliciet is het idee dan dat als we de islam maar 'uitroeien' we de zaakjes voor elkaar hebben. 

Inmiddels hebben we genoeg voorbeelden uit de geschiedenis waarbij bepaalde geloofsovertuigingen 'uitgeroeid' werden - die wederdopers bijvoorbeeld, met name genoemd worden in artikel 36; en het is de vraag of we dat een succes kunnen noemen. (De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat in het interview Mathijs die richting ook niet op lijkt te willen gaan, al blijft het daarmee tegelijkertijd erg onduidelijk wat in zijn ogen de positie is van de islam in Nederland.)

Nu kan men ervoor kiezen - en dat is ook gebeurd - om artikel 36 te 'kortwieken', zodat er niet langer meer wordt opgeroepen tot het 'uitroeien' van de valse godsdiensten. Er komt dan meer ruimte voor gewetensvrijheid, en er kan ook ruimte komen voor gedeelde waarden en normen tussen de verschillende religies - de 'sprankeltjes van God' die in alle religies zichtbaar zouden zijn.

Zonder te willen beweren dat artikel 36 van de NGB persé het einde is van alle tegenspraak, denk ik echter dat er niet zozeer behoefte is aan een andere tekst, als wel aan een herlezing van deze tekst uit de 16e eeuw in de context van de 21e eeuw.

Het is namelijk de vraag of 'godsdienst' in het Nederland van nú hetzelfde betekent als godsdienst in de lage landen van de 16e eeuw. Los van hoe men het waardeert was het christelijke geloof in de middeleeuwen een volksaangelegenheid. Er was een heilig, Rooms rijk, waarin iedereen - vanzelfsprekend - christen was. De Turken die optrokken tegen Wenen waren - vanzelfsprekend - mohammedaan. Godsdienst was inderdaad de vorm waarin God werd gediend, maar het was ook de cultuur, de ideologie, de filosofie, het mensbeeld dat door datzelfde geloof gevormd was.

Laten we de woorden 'valse godsdienst' en 'afgoderij' uit artikel 36 lichten. 
Valse godsdienst zouden we kunnen vervangen door misleidende ideologie. Er zit ook een element in van bedrog, dus fake news kan ook. Afgoderij - als fenomeen waarbij mensen hun hart verpanden aan iets/iemand waaraan dat niet verpand zou moeten worden - zouden we bijvoorbeeld kunnen herlezen als verslaving. Zomaar een idee, er zijn nog talloze andere invalshoeken mogelijk.

In de 16e eeuw werd het papisme gezien als misleidend en het kerkelijk systeem uit die dagen als een vorm van afgoderij die de mensen gebonden hield. Voor de NGB is het Koninkrijk van Christus de ware bevrijding, en komt de mens tot zijn doel (... en dat wij een gerust en stil leven leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid - vervolg van artikel 36). 

Terwijl dit doel voor een christen ook vandaag de dag niet anders is, ligt de misleiding en de afgodische binding mijns inziens wel op een ander terrein. Zeker niet in het Rooms-Katholicisme, en ik zou - als antwoord op de gedachten-experimenten hierboven - niet staan juichen bij de teloorgang van haar religieuze symbolen (ook al heb ik er niet altijd evenveel affiniteit mee).

De misleiding ligt in het westen ook niet allereerst in de islam. Door 'valse godsdiensten' alleen op te vatten als religieuze overtuigingen en praktijken missen we naar mijn inschatting de kern van waar het om zou moeten gaan. In deze - postmoderne - tijd is religie een heel ander ding geworden, en zijn het ándere zaken die bepalen hoe het gros van de mensen doet en denkt. Díé zaken moeten heel goed onder de loep worden genomen, en wat slecht is moet worden bestreden. Meer en meer zal dat slechte buiten godsdiensten worden aangetroffen.

Waarbij het natuurlijk de vraag is of de overheid, zonder christelijk fundament, het onderscheid tussen goede en slechte ideologieën wel kán maken. Dat is weer een ander verhaal. Ze heeft in ieder geval de plicht om het goede te zoeken voor haar onderdanen, en dat is de strekking van artikel 36 van de NGB.

dinsdag 20 juni 2023

Drinkt allen daaruit

En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

- Mattheus 26:27, 28


Tijdens de coronaperiode zijn er veel wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de erediensten. Een aantal daarvan waren tijdelijk, veel maatregelen zijn inmiddels ingetrokken. Maar sommige wijzigingen hebben een langer effect: video-opnames van de diensten zijn gemeengoed geworden, bijvoorbeeld. En de manier waarop het Heilig Avondmaal gevierd wordt is niet overal meer hetzelfde zoals het vóór corona was.

Op refoforum was daar onlangs een discussie over, waarbij de focus op de verdeling van de Avondmaalswijn lag. In veel gemeenten waar vóór corona meerdere personen uit één beker dronken werd er tijdens de pandemie gebruik gemaakt van kleine bekertjes. En dit blijkt in sommige gemeenten niet te worden teruggedraaid nu de pandemie voorbij is.

De discussie op refoforum draaide rond de instellingswoorden van Christus, het 'Drinkt allen daaruit'. Betekenen die woorden niet een veroordeling van het gebruik van losse bekertjes? Gaf Christus niet die ene beker aan zijn discipelen, zodat ze er allen uit konden drinken?

Opvallend aan de discussie was hoe stellig het verband tussen de opdracht van Christus en de manier van Avondmaalvieren wordt gelegd. Het gebruik van kleine bekertjes wordt dan een regelrecht ingaan tegen de instelling van Christus.

Wanneer er vervolgens wordt opgemerkt dat er doorgaans in de oude situatie al gebruik gemaakt werd van twee bekers, worden er wonderlijke redeneringen opgehangen over hoe die twee bekers de ene avondmaalstafel eigenlijk in twee tafels verdelen; en iemand anders beweert dat er tussen die twee bekers en kleine bekertjes een dermate groot verschil zit dat er niet langer meer sprake is van 'gemeenschappelijk' drinken met plastic cups.

Maar ook het gebruik van de kleine bekertjes werd verdedigd, door te stellen dat gezamenlijk drinken uit één beker 'viezig' zou zijn.

Observaties

  1. Er zit een natuurlijke grens aan de gezamenlijkheid. Ook wanneer er overal gedronken wordt uit één beker, geldt dit slechts voor de plaatselijke gemeente. Wereldwijd zijn er dan talloze gemeenten met evenzovele bekers. Dit geldt tevens over de generaties heen.
  2. In de discussie op refoforum denken sommigen de instellingswoorden van Christus heel letterlijk te nemen door het 'Drinkt allen daaruit' te interpreteren als een opdracht voor het gezamenlijk drinken uit één beker. Maar in feite is de meest letterlijke betekenis van Jezus' woorden dat we als christenen allemaal uit die ene beker die Hij toen vasthield in de opperzaal zouden moeten drinken. Er zal niemand zijn die die positie verdedigt.
  3. Dat er dus wel meerdere bekers moeten zijn laat onverlet dat Christus spreekt over 'allen'. Het drinken bij het Avondmaal heeft een gemeenschappelijk karakter. Maar hoe kunnen/moeten we die onvermijdelijke gedeeldheid samen laten gaan met gemeenschappelijkheid?

Want dat is Mijn bloed

Mijns inziens ontstaat de verwarring vanwege het feit dat er op het verkeerde gefocust wordt, namelijk, op de beker in plaats van op de inhoud van de beker. Wanneer we ons op het laatste richten valt het probleem weg. 

Want waar het brood van het Avondmaal zonder hulpmiddel kan worden genuttigd, is er voor de wijn wel iets nodig om het uit te kunnen drinken. Maar dit hulpmiddel is op zichzelf niet belangrijk; het gaat om de wijn. Dit geldt des te meer omdat brood en wijn tijdens het Avondmaal geen doorsnee brood en wijn meer zijn, maar het lichaam en bloed van Christus. In die ene beker, of in al die kleine plastic cupjes, zit datzelfde dat zeer rechtstreeks verbonden is met bloed van Christus dat Hij voor ons vergoot tot vergeving van onze zonden.

Dat maakt het tegelijk zo gemeenschappelijk. Want ieder aan de Avondmaalstafel krijgt hetzelfde, niet meer en niet minder. Die gemeenschappelijkheid wordt wel beter zichtbaar als er uit eenzelfde beker gedronken wordt, maar niet fundamenteel anders. Door te stellen dat het 'viezig' is om met elkaar uit één beker te drinken laat je niet echt zien dat je met elkaar uit dezelfde Bron wilt drinken.

Want daar gaat het om, die Ene Bron van leven. Daar drinken we allen uit, en hoeveel emmers, bekers, cupjes of wat al we daarvoor gebruiken - dat is totaal niet relevant.