woensdag 30 september 2026

De gevolgen van theologie studeren (4)

4. Sola Scriptura


De vorige keer heb ik het gehad over de wetenschappelijke blik op de Bijbel. Nu wil ik het meer hebben over wat dit deed met mijn visie op de Bijbel als het Woord van God.


Ik ben opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, en heb van jongsaf een isgelijk-teken leren plaatsen tussen de Bijbel en het Woord van God. Het één was een synoniem voor het andere - zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de manier waarop het RD deze week een uitspraak van ds. De Heer weergeeft: [https://www.rd.nl/artikel/ds-de-heer-bijbel-sinds-genesis-3-niet-meer-veilig-bij-de-mens] "Bijbel sinds Genesis 3 niet meer veilig bij de mens" (ik dacht, de Bijbel is ontstáán vanwege Genesis 3, en bestond daarvoor en zelfs lange tijd daarna nog niet; ds. De Heer had het over "Gods Woord", en dat is uiteraard correct).


Een adagium als Sola Scriptura was voor mij dan ook bekend en logisch. Als het Woord van God de Bijbel was, dan ging daar niets boven en was dat voldoende. Tegelijkertijd ontstond de paradox dat de Bijbel en de theologische opvattingen van de Gereformeerde Gemeenten naar mijn opvatting wat op gespannen voet stonden, vooral daar waar het gaat over de 'heilszekerheid' (kortgezegd, ben je gered of niet, ga je naar de hemel of naar de hel). En ik was niet de enige; ik noem slechts Blaauwendraad en Van der Zwaag. Er was rond dit onderwerp een bredere discussie tussen mensen die het over één punt wel eens waren: De Bijbel had gelijk.


En dat gold ook voor mijn persoonlijk geloof; ik vond antwoorden op de vraag rond het heil in de Bijbel en was daarmee tevreden. En omdat de Gereformeerde Gemeenten mijns inziens te ver van de Bijbel waren afgedwaald, ben ik daar uiteindelijk ook vertrokken. De Bijbel was voor mij het eindpunt.


Vragen rond het Sola Scriptura stelde ik toen nog niet - dat kwam na verdere reflectie op de vraag wie er in het theologische landschap 'gelijk' heeft wanneer de Bijbel wordt uitgelegd, en ook op de vraag wat dat eigenlijk is, 'de' Bijbel. In mijn jeugd was de Bijbel niet alleen synoniem met Gods Woord, maar ook met de Statenvertaling. Door een studie Hebreeuws begon dat te veranderen. Vanuit Rooms-Katholieke hoek kreeg ik daarbij meer oog voor het begrip 'traditie', en de waarde van een Kerk die over de Bijbeluitleg en de theologie waakt.


Rond die tijd ging ik aan de Radboud studeren, en één van de eerste vakken was Exegese NT waarbij we een boek gebruikten van Bart Ehrman die uitlegde hoe een wetenschappelijke editie van het griekse NT (NA28) is opgebouwd: van elk vers is de meest waarschijnlijke grondtekstvariant opgenomen, maar als geheel is er geen enkel papyrus dat overeenkomt met de NA28. De autografen, de oorspronkelijke handschriften, zijn namelijk verloren gegaan.


Daarbij moet, in tegenstelling tot wat een kreet als Sola Scriptura lijkt te pretenderen, de Bijbeltekst altijd door een interpretatieslag heen. Er is tegenwoordig meer aandacht voor deze 'ontvangst'kant van teksten in het algemeen (zie bijvoorbeeld het recente gesprek met ds. T. Bakker over hermeneutiek), en daarmee is er ook meer oog voor de gedachte dat de Bijbeltekst kan 'werken' tijdens het lezen. De vraag is dan wel waar de normativiteit ligt: bij de tekst zelf, of bij de individuele interpretatie? 'Sola Scriptura' pretendeert dit geheel bij de tekst te leggen - en dat klinkt solide, maar de vraag is of het in de praktijk kan. En of de veelkleurigheid van het protestantisme geen bewijs is van het eigen ongelijk op dit vlak.


Het is juist op de TUA dat dit onderwerp aan de orde kwam, toen we het boek 'Geestspraak' van H. van den Belt bespraken. Die merkt op dat Gods Geest niet alleen het schrijven van de Bijbelteksten inspireerde, maar ook het lézen en het trekken van conclusies uit de bijbeltekst inspireert. Voor Van den Belt is een belangrijke 'leesregel' dat de Bijbel met de 'Kerk van alle tijden en plaatsen' wordt gelezen. Voor mij is dit een cruciale gedachte, die ik misschien nog wel wat verder doortrek dan Van den Belt doet. Ik ben er nog niet helemaal over uit of de Bijbel primair het boek is van de christelijke gemeenschap, of dat de christelijke gemeenschap voortkomt uit de Bijbel; maar het is een feit dat voor de eerste opvatting zeker zinnige argumenten zijn.


Het Sola Scriptura dat ik in mijn jeugd meekreeg als een soort gouden standaard die we dankzij de Reformatie verwierven, vind ik daarmee echt problematisch (en ik ben dus niet de enige). Het is niet vol te houden wanneer je ook maar enige kennis hebt van de Bijbel en de kerkgeschiedenis. In kerkelijke kringen toch blijven spreken van het Sola Scriptura, in het bijzonder wanneer dit exclusief wordt verbonden aan de Statenvertaling, komt wat mij betreft in de buurt van misleiding.


Daarnaast ben ik nog kritischer gaan kijken naar exegetische 'vondsten' van relatief recente datum, in het bijzonder als deze Israël of de eindtijd (vanuit Openbaringen) betreffen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de bedelingenleer van Darby en bepaalde opvattingen rond het duizendjarig rijk. Deze "dispensationalistische" theologie leunt heel sterk op het Sola Scriptura (en daarom was ik er aanvankelijk ook wel van gecharmeerd); ik verwijs hier als voorbeeld naar het boekje 'De bijbel én de belijdenis? Over biblicisme en bijbellezen' van J. Fijnvandraat, waar de schrijver zichzelf als 'biblicist' beschouwt. Juist de rol van de traditie, die Fijnvandraat onderwaardeert, zorgde ervoor dat ik kritisch werd op de inzichten van deze stroming. Die inzichten van een enkeling, die geen basis hadden in de hoofdstroom van de kerkgeschiedenis, worden overgewaardeerd zonder dat voldoende wordt verdisconteerd dat elke exegese een tijdgebonden, gekleurde interpretatie is. Een theologie die niet is geworteld in de Kerk 'van alle tijden en plaatsen' kreeg voor mij minder autoriteit, al is het altijd mogelijk ervan te leren.


Om dezelfde reden ben ik ook kritischer gaan kijken naar de exegese van de Reformatie. In een bepaald gedeelte uit de Institutie van Calvijn waarin hij een paar verzen uit 1 Korinthe 3 bespreekt, stelt hij onomwonden dat hij het beter weet dan de kerkvaders - en die schuift hij vrij makkelijk aan de kant. In een onderzoek dat ik deed vergeleek ik zijn houding met die van Benedictus XVI die met betrekking tot hetzelfde gedeelte een veel meer luisterende houding aanneemt en de hele uitleggeschiedenis van het gedeelte verdisconteert in zijn eigen opvatting. Dat is wat mij betreft de manier om te voorkomen dat je eigen geniale inzicht het startpunt wordt van een nieuwe dwaling; de traditie moet op zijn minst fungeren als vangrails. (Overigens hecht ik eraan op te merken dat ik geen oordeel vel over Calvijns houding richting de kerkvaders in het geheel van zijn werken - die houding zal ongetwijfeld genuanceerder zijn, ik heb daar geen studie naar verricht. Het gaat mij hier om dit specifieke geval rond 1 Korinthe 3.)


Op een heel ander vlak ben ik ook terughoudend geworden: de theologische waarde van het brontekstonderzoek, in het bijzonder dat van het Nieuwe Testament. Ik zou graag enige scheiding aan willen brengen tussen het onderzoek naar de oudste variant(en) van het NT, en de vraag welke tekst gezag heeft binnen de Kerk. Er is nu een tendens om hoe dan ook de oudste tekst het meeste gezag toe te kennen, maar dat betekent dat het 'echte' Woord van God blijkbaar in verloren gegane autografen staat, en dat we steeds dichter bij dit oorspronkelijke Woord van God komen wanneer we maar harder ons best doen het origineel te reconstrueren. Een dergelijke gedachte minimaliseert het werk van de Heilige Geest bij de overlevering van de tekst, en dat vind ik bezwaarlijk omdat het naar Gods wil lijkt te zijn om Zijn Woord een menselijk karakter te geven.


Voor de Kerk is het 'terugvinden' van de meest oorspronkelijke tekst dus niet van cruciaal belang. En het lange slot van Markus is geen fout, het verhaal van de overspelige vrouw in Johannes evenmin. Dat neemt niet weg dat het academisch onderzoek naar deze teksten wel degelijk van waarde kan zijn, omdat het licht kan werpen op de betekenis van bepaalde passages. Maar er is het risico dat de drang naar het vinden van de meest oorspronkelijke tekst van die tekst een soort Koran maakt, die dan 'ongeschonden' uit de hand van God zou zijn gekomen en daarna alleen maar is bezoedeld door overschrijffouten. Een term als 'Sola Scriptura' versterkt een dergelijke gedachte.


Ik ben geen moslim en geloof niet primair in een boek, zeker niet in een boek dat God volmaakt liet schrijven om het onmiddellijk daarna verloren te laten gaan. Ik geloof in een levend Woord, dat door de Geest werkt in de Kerk. Een recent gevonden oud manuscript kan voor mij daarom niet de tekst overtroeven die door diezelfde Geest door de eeuwen heen is overgeleverd.


De theologiestudie heeft voor mij het idee verscherpt dat de werkelijke waarde van de Bijbel niet kan worden gevonden door te proberen te achterhalen hoe de tekst is ontstaan, maar eerder door meditatie over de tekst in het geloof dat ze - op allerlei verschillende wijzen - door God in het heden zijn gebracht. En daarbij geloof ik dat ook de "ongepolijste" tekstoverlevering bewust door God zo gewild is. Hij gaf Zijn Woord een menselijk karakter. Dit maakt de Bijbel ook een "levend" document, geen statische tekst (zoals ik eerder de visie op de Koran beschreef).


Iemand zou hier overigens kunnen tegenwerpen dat in het NT de tekst van het OT ook gelijkgesteld werd met het Woord van God: Jezus heeft het bijvoorbeeld bij de verzoeking in de woestijn over 'er staat geschreven'. Dat is inderdaad een belangrijke nuance, en moet ons aan de andere kant bewaren voor een al te menselijke visie op de Bijbel. De Bijbel die we nu hebben, is het Woord dat God ons wilde geven. 


Tegelijk bewijst de manier waarop het NT het OT citeert ook dat de apostelen zelf dit Woord als een levend iets beschouwden en niet als een statische tekst - vanwege het gebruik van de Septuaginta. Voor mij heeft deze vertaling van het OT dan ook aan waarde gewonnen, omdat het het "Oude Testament van de jonge Kerk" was (een titel die Chris Fahner aan een boekje over de LXX gaf). 

woensdag 23 september 2026

Apple TV 'Silo' en 'the greater good'




Ik keek onlangs de Apple TV serie 'Silo', en mij trof daarin de overtuigende manier waarop de druk werd uitgebeeld die kan worden uitgeoefend op mensen om ze iets ve
rschrikkelijks te laten doen zodat iets ergers daardoor wordt voorkomen. In het 'universum' van Silo is dat meest erge de "safeguard", de complete uitroeiing van alles en iedereen in een silo-leefgemeenschap.

Om een dergelijke "safeguard" te voorkomen, moet een leider van een silo wel eens een drastische maatregel nemen - een moord op deze of gene, ook als dat een geliefde betreft. Als met die ene moord de dood van tienduizend mensen wordt voorkomen, dan lijkt dat redelijk. De balans wordt ook nog extremer gesteld in de serie; twee- of drieduizend doden zijn nog steeds te prefereren als daarmee het leven en het voortbestaan van de silo wordt gewaarborgd.

Als kijker voel je aan dat met een dergelijke redenering iets niet klopt. En tegelijk snap je de overwegingen. De personen die een dergelijke beslissing moeten nemen, komen minder verdorven over zodra je weet voor wat voor dilemma's ze zijn gesteld.

Hoe dan ook is er sprake van niveau's in verdorvenheid. Wat het precieze masterplan is, dat is op dit moment nog niet volledig onthuld. Maar wel dat het geen enkele rekening houdt met mensenslevens; de mensen in de silo's zijn 'zaden', totaal geinstrumentaliseerd voor een idee over de ideale wereld van een genius met teveel geld zodat hij een atoombom kan gebruiken voor de verwerkelijking van dat idee.

In de toplaag is het 'kwaad' dus helder te definieren. Het spannende gebeurt in de laag die van deze top wel de instructies en de dreigementen krijgt, maar niet alle contextinformatie. Voor hen is dit het klassieke filosofische dilemma van de trolley. Silo geeft gevoelsmatig een antwoord op dit probleem; dat het niet juist is de enkeling onvrijwillig op te offeren voor de gemeenschap. Dat daarmee iets fundamenteel menselijks verloren gaat.

En dat terwijl de rekensom vrij eenvoudig is, zoals utilitaristen zullen stellen. En zo acteren de leiders - Bernard, en later Camille - ook. Het is niet leuk, maar het is logisch, het is het beste. De gemeenschap gaat daarmee vóór het individu, maar de meeste individuen profiteren daar ook van.

De vraag is echter wat de plaats van 'menswaardigheid' hier is. Het is de kracht van de serie dat dit probleem heel zichtbaar wordt gemaakt. En dat er uiteindelijk wel afstand móét worden genomen van dit utilitaristisch denken, zonder de garantie dat de balans in doden versus levenden gunstiger zal uitslaan. Er worden meer risico's genomen, omdat men niet langer tevreden is met de eenvoudige rekensom. Het lijkt menswaardiger te zijn om desnoods met zijn allen eervol ten onder te gaan, dan om te blijven leven door een logisch beredeneerde beslissing die alleen ánderen het leven kostte.

Ik had het gevoel dat de serie hiermee aan het mysterie raakte van wat het betekent om 'mens' te zijn, en dat elk mens een intrinsieke waarde heeft - iets wat ik zelf uit Genesis 1:27 haal, de mens is gemaakt naar het beeld van God. Voor de gemeenschap geldt niet ongekwalificeerd dat die 'meer is dan de som der delen'. Dat betekent niet dat de gemeenschap onbelangrijk is en dat we naar een hyperindividuele samenleving moeten streven, maar wel dat de gemeenschap slechts dan floreert als het de individuele mens als beelddrager van God wordt erkend en gerespecteerd. Die mens kan zich dan nog steeds ten dienste stellen (of zelfs opofferen) voor de gemeenschap. Maar nooit als instrument in handen van anderen.

zondag 20 september 2026

De gevolgen van Theologie studeren (3)

3. De Redactiegeschiedenis


"Kennis over Bijbelhandschriften, redactiegeschiedenis en geniale theologen kan ook verwarren", stelde het commentaar in het Reformatorisch Dagblad. Het aardige van deze zin is dat de "redactiegeschiedenis" zélf blijkbaar als een vaststaand feit wordt beschouwd. Op de beide universiteiten die ik heb bezocht, was dat ook zeker het geval. Of de gemiddelde Veluwse lezer van het RD eenzelfde opvatting is toegedaan, dat vraag ik me af.


Met redactiegeschiedenis wordt (in deze context) bedoeld dat de bijbeltekst zoals we die nu hebben, niet in één keer is ontstaan, maar een eindproduct is van een proces van schrijven, samenstellen en corrigeren. Een goede vergelijking als contrast is de islamitische opvatting dat de Koran een 1-op-1 kopie zou zijn van een exemplaar dat bij Allah ligt, en eenvoudigweg alleen "geopenbaard" hoefde te worden aan Mohammed.


Toen ik aan de Radboud begon, was mijn opvatting over de aard van de Godsopenbaring al enigszins beïnvloed door de interpretatie van hedendaagse Rooms-Katholieke theologen waardoor ik beter begon in te zien dat de Bijbel gegroeid is binnen de geloofsgemeenschap en daardoor ook gelézen moet worden met die geloofsgemeenschap. In Rooms-Katholiek jargon gaat het om Schrift én Traditie die de geloofsinhoud bepalen. Theorieën rond de precieze ontstaansgeschiedenis van de Bijbelteksten zijn dan niet allesbepalend voor de inhoud van het christelijke geloof.


Ook mijn persoonlijke geloofsovertuiging was daarmee niet louter afhankelijk van een bepaalde Schrift- of openbaringsvisie. Maar de reikwijdte van de wetenschappelijke redactiekritiek was een stuk groter en ingrijpender dan ik van tevoren had vermoed. Tegelijk leverde juist de worsteling met deze materie een mooie ervaring op - daar zal ik hieronder nog iets over zeggen.


De houding van de docenten OT en NT destijds met betrekking tot de schriftkritiek was professioneel. Er was oog voor de betrekkelijkheid van de gangbare bronnentheorie, en we werden daarmee aangespoord om zelf ook kritisch te kijken naar dergelijke methodes. Wat "zwaarder" viel was in algemene zin de zakelijke benadering van de Bijbeltekst. Dat was niet zozeer het "Woord van God", maar het was primair een bijzondere, oude tekst uit een lang verleden. Daarbij golden bepaalde opvattingen impliciet wel als "vaststaand", zoals dat de Exodus uit Egypte een later geschreven ontstaansmythe is voor het volk Israël.


Voor iemand die zijn oorsprong vond in de Gereformeerde Gemeenten is dat een fundamenteel andere omgang met de Schrift, en eentje die ook op gespannen voet staat met het idee dat God Zich daarin betrouwbaar openbaart. De Bijbel wordt meer een verslag van hoe mensen dachten over God, dan dat je er God in hoort spreken. Dit past ook beter bij de theologie als academische discipline, maar tegelijk is het onbevredigend. Want wanneer dit tot het uiterste wordt doorgetrokken is christelijke academische theologie niet anders dan een religiewetenschap. Ergens in de theologie ligt toch de aanname opgesloten dat de Bijbel niet alleen een verslag is van menselijk denken, maar dat dit denken ook een cruciale boodschap heeft voor vandaag - meer specifiek, dat het "heil" teweegbrengt.


Het mooie op de Radboud was dat dit punt goed te bespreken viel, en dat het ook (h)erkend werd. Het heeft mij ook wel verbaasd dat zelfs in een zeer "modern" klimaat er relatief weinig reflectie was op de vraag waaróm de Bijbel als zo'n belangrijk geschrift werd gezien. Vrijwel alle docenten namen dat aan als een gegeven feit; waarbij uiteraard verschillend werd gedacht over wát er dan belangrijk was (en wat er relevant was voor vandaag). 


Toen we een kort essay moesten schrijven over een profetie uit Daniël, liep ik erg tegen de spanning tussen Godsopenbaring en de redactiekritiek aan. Het betrof het visioen dat betrekking heeft op Antiochus Epifanes, waarbij de gangbare opvatting is dat de schrijver dit tijdens het leven van die heerser opschreef - en daarbij zowel heel precies kon weergeven hoe hij tot macht gekomen was, en tegelijk totaal missloeg als het om diens dood ging. De gangbare opvatting wil niet rekenen met de mogelijkheid van door God gegeven openbaring, maar voor het christelijk geloof is dat in mijn optiek juist cruciaal - dat God doet wat Hij eerder beloofd heeft. Ik heb lang met deze spanning geworsteld, en gepoogd om ook de gangbare opvatting ter discussie te stellen dat deze profetie van 'late datum' zou zijn. Het bijzondere was dat juist deze poging door de docent werd gewaardeerd. Voor mij is dat altijd hét voorbeeld geweest van het open en professionele klimaat op de Radboud zoals ik dat heb ervaren.


De volgende keer hoop ik nog wat verder op de rol van de Bijbel in te gaan.

 

dinsdag 15 september 2026

De gevolgen van Theologie studeren (2)

2. Wat is Gods wil?

"Wie wel theologie gaat studeren, doet er goed aan te onderzoeken of dat Gods wil is", haalde ik eerder aan uit het commentaar van het Reformatorisch Dagblad. Nu ik wat langer over die uitspraak nadenk, in de context van theologiestudies, valt me het ironische van de paradox op. Als er íéts is wat we tijdens de studie hebben onderzocht, zeker ook aan de TUA, is het de theologie rond Gods wil. Dus, voor het beantwoorden van de vraag die het commentaar stelt, is theologie nodig.

Juist deze manier van spreken van het commentaar was voor mij een reden om theologie te gaan studeren. Want wat wordt hier bedoeld? Onderzoeken of iets Gods wil is, waar onderzoek je dat? Hoe? En hoe kom je tot een conclusie? 

Waar: is dat de Bijbel? Waarom de Bijbel? Wat ís de Bijbel eigenlijk? En waarom leeft binnen de orthodox-gereformeerde kring de vraag nauwelijks naar het verschil tussen de inspiratie van bijvoorbeeld de NT bijbelboeken en de vorm van inspiratie die nodig was om uit de talloze geschriften de selectie van de NT bijbelboeken te maken? (Ofwel, waar in de bijbeltekst staat de lijst met bijbelboeken?)

Hoe: als we de Bijbel als bron gebruiken, hoe moeten we die dan lezen? Hoe voorkomen we dat we onze eigen ideeën laten terug-echoën uit de Bijbel? Gebruiken we commentaren, en zo ja, hoe selecteren we die en zijn we echt bereid onze eigen opvattingen te laten corrigeren door mensen die buiten ons eigen kringetje staan? Hoe laat je Gods Woord echt "eerlijk" spreken?

Conclusies: Wanneer kan je concluderen dat je Gods wil hebt begrepen? Is dat het beroemde "briefje uit de hemel", bijvoorbeeld die ene tekst die blijft haken - of begeef je je dan op glad ijs omdat je een tekst zomaar los laat zingen van zijn context? Hoe voorkom je dat je idee van Gods wil iets totaal subjectiefs wordt? Kan je nog gecorrigeerd worden door een ander?

Ik proef in de formulering van het RD commentaar iets vanzelfsprekends, dat het gaat om een "zoeken in afhankelijkheid en gebed" of iets dergelijks. Daar zit iets moois in, maar ik vind het tegelijk lastig dat het zo weinig concreet is. En uiteindelijk zou het antwoord op de vraag naar Gods wil toch wél concreet moeten zijn: je gaat theologie studeren of niet. Ik kan dat zelf slecht baseren op een subjectieve ervaring, waar die ook op gegrond is. 

Daar komt ook een bepaalde allergie bij voor mensen die anderen proberen te overtuigen van het idee dat ze zelf weten wat Gods wil is; een voorbeeld hiervan kwam recent nog naar voren in het boek van Danny Grootveld over de familie Maasbach. Zelf heb ik dit niet op zo'n extreme manier meegemaakt, maar ik vind het over het algemeen erg lastig om mijn handelen te baseren op wat een ánder als Gods wil ervaart. Ik kan zeker geloven dat mensen soms Gods leiding heel direct ervaren, en tegelijk is dat hún ervaring en niet de mijne. Vanuit mijn perspectief zie ik mensen die een bepaalde stap willen zetten in hun leven, omdat ze het idee hebben dat dat goed is om te doen. 

Maar tegelijk lees ik in de Bijbel ook regelmatig van mensen die Gods stem horen en die dat vervolgens anderen moeten vertellen. Misschien kom ik op dit onderwerp later nog terug; tijdens de studie is dit punt talloze malen onderwerp geweest van gesprek. Meer algemeen ben ik er meer van doordrongen geraakt dat een kerkelijk leerstellig kader belangrijk is, waarbinnen dan ruimte kan zijn voor individuele spirituele ervaringen. 

Hoe dan ook, bij mij groeide in ieder geval het besef en het vertrouwen dat God mij juist deze wat meer zakelijke houding gaf om er iets mee te doen. Toch ook ergens een subjectieve conclusie! Het is mij in een zeer letterlijke zin echter "niet gegeven" om daar veel bij te voelen. Ik moest dus theologie gaan studeren om meer te leren over de wil van God.

donderdag 10 september 2026

De gevolgen van Theologie studeren (1)

1. Inleiding

"Wie wel theologie gaat studeren, doet er goed aan te onderzoeken of dat Gods wil is", schreef het hoofdredactionele commentaar van het RD op 29 augustus 2026. "Een theologiestudie is namelijk verrijkend, maar niet tolvrij. Kennis over Bijbelhandschriften, redactiegeschiedenis en geniale theologen kan ook verwarren. Het kan iemand zelfs zijn geloof kosten".

De afgelopen vier jaar heb ik theologie gestudeerd, eerst 2 jaar een premaster traject aan de Radboud Universiteit, en in de 2 jaar daarna de master Herbronning Gereformeerde Theologie afgerond aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Als kind opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten, maakte ik op mijn 32e de keuze om over te stappen naar de Hersteld Hervormde Kerk. Dat had alles te maken met mijn groeiende kritiek op de matige exegese in combinatie met de zeer stellige uitspraken die in mijn oude kerkverband naar mijn gevoel een klimaat schiepen waarin nauwelijks ruimte was voor een echt inhoudelijk gesprek over het geloof.

Via het internet kwam ik in aanraking met het gematigd conservatieve Rooms-Katholicisme, allereerst door video's van Robert Barron. Dat opende mijn interesse voor de meer filosofische kant van het christelijk geloof en de ontwikkeling van het christelijk denken door de eeuwen heen. Meer en meer begon ik me te verbazen over het feit dat in zoveel theologische discussies de ultieme autoriteit "de Reformatie" leek te zijn, zeker in de Nederlandse context. De kerkgeschiedenis leek in de praktijk na het NT een enorme sprong te maken naar 1517, hooguit met (delen van) Augustinus als tussenstationnetje.

Ik moet denken aan de discussies rond het aanbod van genade binnen de Gereformeerde Gemeenten die ontstonden door de publicaties van Blaauwendraad en Van der Zwaag. Allerlei uitspraken van predikanten werden vergeleken met die van de zogenaamde "oudvaders" - personen die twee eeuwen ervoor leefden. Teruggrijpen naar Calvijn in dergelijke gesprekken is al vrij extreem, terwijl diens Institutie formeel als zeer gezaghebbend wordt aanvaard. Het lijkt er op dat nog verder teruggaan niet als relevant wordt gezien.

Dat begon te wringen voor mij. Het was alsof de Reformatie niet zozeer het oude herstelde, maar een volledig nieuwe theologie "op de kaart" had gezet. Als het ware een geheel nieuwe vorm van geloof. Terwijl Luther en Calvijn zelf daar heel anders tegenaan keken, zij zagen wel degelijk een bepaalde continuïteit tussen hun eigen denken en in ieder geval de vroegere Kerk.

Ik weet dat er ook andere stemmen zijn (geweest), zeker rond de vroege kerkvaders als Augustinus en Chrysostomus is wel wat meer interesse ontstaan. Maar het blijft beperkt.

Toen zich de gelegenheid aandiende om theologie te gaan studeren aan de Radboud (zij boden een praktisch programma dat heel goed met mijn gewone baan te combineren was) was het voor mij dan ook juist géén bezwaar dat de RU een katholieke achtergrond had. Het was eerder een voordeel; de master aan de TUA werkte daarna ook weer op een bepaalde manier verbredend.

De komende tijd wil ik wat reflecties geven op mijn ervaringen in de afgelopen vier jaar: wat houdt dat nu eigenlijk in, theologie studeren? Hoe gaat dat in een postmodern klimaat? Houdt je geloof stand terwijl er fundamentele vragen worden gesteld? Maakt het uit waar je studeert?

Die reflectie zal ik doen aan de hand van de punten die ik hierboven aanhaalde uit het commentaar van het Reformatorisch Dagblad. Uiteraard zijn dat heel subjectieve ervaringen. Reageer daarom gerust, wellicht ben ik hier en daar ook te kort door de bocht en redeneer ik te simpel en het is goed om daarin gecorrigeerd te worden. En misschien heb je zelf wel een onderwerp wat je graag besproken zou zien! Hoeveel "delen" er gaan volgen weet ik in ieder geval nog niet op voorhand.

zaterdag 28 maart 2026

De Egel en het Boek


Een Paasverhaal


I

Zo'n beetje aan het einde van het feest, toen de schemering was ingevallen en Zwaan het slotlied wilde gaan zingen, ging er ineens een huivering door haar heen. Het was een prachtig feest geweest, en terecht. De oogst was goed, er was hard gewerkt, en niets is beter dan een feest na gedane arbeid. Iedereen was blij. Maar ineens overviel haar dat vreemde gevoel; dat het hún feest was, hún blijdschap, hún leven. En dat ze er zelf niet langer meer bij hoorde.

De winter naderde.

En als geen ander dier voelde Sina de Egel de intense behoefte aan rust. Ze stond op en liep geruisloos weg uit de kring in het bos, waar alles doorging zonder zich aan haar afwezigheid te storen. Achter zich hoorde ze Zwaan zijn eerste maten nog zingen, maar het geluid werd al snel gedempt door het struikgewas. Bij haar huis was het volkomen stil.

Sina opende de deur en stond een tijdje besluiteloos in de hal. Wat nam een egel eigenlijk mee als hij naar zijn rustplaats ging? Aan het haakje van de garderobe hing haar rugtas. Er zat nog allerlei overbodige rommel in die ze in een hoekje kieperde en ze klopte ook het stof er uit. Een fles water was wel handig, en iets te eten. Een lampje kon ook geen kwaad want buiten was het donker.

Ze liep naar het keukentje en rommelde in de kastjes, om maar niet aan het echte probleem te denken. Ze wikte en woog tussen wat voor koek ze zou inpakken, en hoeveel, alsof dat het belangrijkste was. Maar dat belangrijkste lag in de kamer, ze wist het heel goed; ze wílde het niet weten. Sina voelde het boek als een zware klomp ijs in haar maag liggen. Goede egels brengen hun boek op tijd netjes terug naar de bibliotheek voor de grote winterslaap. Zo waren alle egels opgevoed en zij dus ook. Vader placht het samen te vatten onder wat hij "de orde der dingen" noemde.

Ze zuchtte even en rommelde verder. Werd het een rood of een blauw flesje? Het ene lekte een beetje, het andere was misschien wat te klein. Was het echt wel zo erg met dat boek, dacht ze, misschien viel het wel mee. Problemen worden alleen maar groter als je er over piekert tenslotte.

Sina zette de flesjes op het aanrecht, liep naar de woonkamer en deed het licht aan. Op de lessenaar lag het grote boek, de koperen sloten dicht. Even streelde ze over de bruinleren kaft. Sina de Egel, las ze. Haar hand trilde een beetje toen ze de sloten openpeuterde. Laat het alsjeblieft meevallen, dacht ze. Alsjeblieft.

Ze was verstandig genoeg om wel beter te weten. Van elk blad grijnsden de vlekken, de doorhalingen, de krassen haar aan. Met trillende lip bladerde ze verder, steeds gehaaster en gejaagder. Ze dacht er niet meer aan dat ze eerst had gehoopt dat het misschien wel meeviel. Dat het niet zo erg was als ze zich had ingebeeld. Nu was ze tenslotte alleen nog maar op zoek naar een enkel blad dat netjes was. Zonder krassen of doorhalingen. Of misschien maar een enkel klein vlekje.

Resoluut klikte Sina de sloten van het boek dicht. Dit ging ze niet naar de bibliotheek brengen, nooit van haar leven. Ze wilde er niet meer aan denken. Zonder verder aarzelen liep ze naar de keuken, greep ze een fles, vulde die met water en deed hem in de rugtas met een koek er bij. In de hal pakte ze het kleine lampje, knipte het aan en zo liep Sina de Egel naar buiten. Daar draaide ze de deur op slot en hees ze de rugtas op haar rug.

II

Het was donker. Het kleine lampje verspreidde maar weinig licht op het pad dat tussen de enorme woudreuzen liep. Behalve het bonzen van haar hart in haar keel was het doodstil, en bij elke stap die ze zette voelde ze zich vermoeider worden. En schuldiger, omdat ze het boek niet had ingeleverd bij de bibliotheek.

De bibliotheek waar de weg pal langs liep. Ze zag het grote gebouw al in de verte opdoemen, een inktzwart silhouet tegen een net iets minder zwarte lucht. Met achter diverse ramen licht dat brandde, want in de bibliotheek was altijd iemand aan het werk. Sina de Egel was bang dat de hoge toegangsdeur zou worden opengegooid zodra ze er langs liep, en iemand haar achterna zou komen. "Waar is je boek?" zou die dan roepen, "waar is je boek? Heb je het wel netjes verzorgd? Geen vlekken erin? Je moet het inleveren, dat weet je toch? Waar is het? Nou?"

Ze voelde zich kleuren van schaamte. Toen ze niet ver meer van het gebouw verwijderd was, sloop ze van de weg af in het struikgewas om maar niet te worden gezien. Ze struikelde over boomwortels en schramde zich lelijk. De deur van de bibliotheek bleef gesloten, niemand leek zich om haar te bekommeren. Zodra het gebouw op veilige afstand was, sprong Sina weer op het pad en liep met dubbele haast verder. Ongeveer op de helft was ze nu, en eigenlijk zou ze wel even willen rusten om wat te drinken en te eten, maar ze gunde het zichzelf niet. Weg wilde ze, weg uit dit bos, zo ver mogelijk weg van het gebouw van de bibliotheek. Het was alsof honderden ogen beschuldigend prikten in haar rug.

De maan brak door de wolken heen toen ze de bosrand bereikte, en die deed het water van de rivier glinsteren. Ze had het gehaald, bijna tenminste. Daar, aan de overkant, was het hotel. Alleen de rivier moest ze nog over, en ze tuurde in het duister of ze de boot kon zien waarover ze had horen vertellen.
 

III

Hond en Vos zagen haar op zich afkomen, sloegen hun armen over elkaar en wachtten af tot ze bij hen stond.

"Goedenavond," zei Sina, een beetje hakkelend en buiten adem. "Is dit -"

"Het is nacht, geen avond," antwoordde Vos traag en met lage stem terwijl zijn ogen, die glinsterden in het maanlicht, haar nauwkeurig van top tot teen opnamen.

"Het holst van de nacht," vulde Hond aan. "Wat komt u doen?"

"Ja, ja," stotterde ze, "natuurlijk, nacht... het is nacht..."

Ze keek naar haar kleine lampje, dat nauwelijks nog iets hielp in het licht van de maan.

"Hond vroeg iets," zei Vos kortaf.

Sina blikte van de een naar de ander. Ze voelde zich zo moe en ze had op een dergelijk ontvangst niet gerekend. Ze haalde diep adem.

"Ik heb gehoord dat er hier iemand is om mij met een boot naar de overkant te varen, bent u dat?" 

Hond wees met zijn duim achter zich. "Wij hebben een boot, ja. En wat hebt u?"

"Wat bedoelt u?" vroeg Sina verward, en ze voelde aan haar rugtas. "Ik heb niks - niks bijzonders..."

"Je paspoort," snauwde Vos. "Dat bedoelt hij natuurlijk. Je identiteitsbewijs. Zo'n ding met rode stempels en zo. Handtekeningen. Zegels. Je denkt toch niet dat we elke willekeurige egel meenemen?"

Haar ogen werden groot. "Maar - hoe... die heb ik helemaal niet!"

Vos deed een stap naar voren, en er kwam een valse grijns op zijn gezicht. Ze zag zijn vuile tanden blootliggen. 

"Hoor je dat, Hond. Daar hebben we er weer eentje, een egeltje zonder identiteit. Zo'n egeltje dat door niemand wordt gemist als er - als er zomaar toevallig iets mee gebeurt, zo midden in de nacht. Er kan van alles met egeltjes gebeuren hoor! Vertel eens, juffie -"

Hij deed weer een stap naderbij, Sina rook z'n stinkende adem. Ze was doodsbang en Vos keek haar spottend aan. 

"Vertel eens, ik denk dat jij je boek niet hebt ingeleverd he? Teveel moeite zeker?"

Hij wreef over zijn buik. "Weet je hoe dól ik ben op egeltjes zoals jij? Waar nooit iemand meer naar vraagt als ze, zeg maar, per ongeluk kwijtraken?

Hij stak zijn poot uit, maar Sina wachtte niet op wat Vos nog meer van plan was. Ze rende weg, al struikelend, dwars door het bos terug totdat ze weer in haar kamer stond waar haar boek nog altijd lag te wachten.

IV

Ze was zo moe. Misschien lag het daar aan dat het niet lukte. Uren was ze al bezig, vlekje voor vlekje wegpoetsend met alle mogelijke middeltjes die ze in haar keuken had kunnen vinden. Het werd er meestal niet mooier van. Van sommige vlekken, die te groot waren, probeerde ze maar een tekening te maken zodat het nog wat leek. Maar terwijl ze de ene vlek wegkreeg, vloeide een letter uit omdat er een zweetdruppel op het blad was gevallen. Zweetdruppels, en later vooral tranen.

Ze was zo verschrikkelijk moe, haar hoofd zakte steeds verder naar beneden tot het ineens op het boek viel. Dat maakte het allemaal niet veel beter. Uiteindelijk stond ze op, sloot het boek en deed het in haar rugtas. De fles en de koek kreeg ze er niet meer bijgepropt, ze liet ze onaangeroerd op tafel achter. 

Toen ze haar huisdeur opnieuw sloot, was het buiten nog even donker als eerst. Opnieuw ging ze het bos in, over het pad, met haar kleine lampje, en met lood in haar schoenen en op haar rug. Bij het grote gebouw van de bibliotheek liep ze langzaam en met knikkende knieën de stenen trap op naar de grote toegangsdeur. Ze pakte de klopper, liet hem tegen het hout vallen en deed weer een stap naar achteren om af te wachten. Ze was te moe om nog te bedenken wat ze allemaal zou zeggen als haar boek werd opengedaan en ze alles zagen. 

De deur ging open en er verscheen een gedaante. Sina gilde van schrik toen ze hem zag en deed nog een stap naar achteren zodat ze met een klap van de stenen trap afviel. Wat ze had gezien in het schijnsel dat uit de hal kwam, leek wel een monster. Het was een oude egel, of tenminste, wat er van overgebleven was. Overal zag ze kale, zwerende plekken, zelfs midden op zijn hoofd, met een paar armzalige stekels er omheen als een belachelijk kroontje. Hij zag er zo afschuwelijk uit dat ze het liefst wegrende.

"Wat kan ik voor je doen?"

De kalmte en vriendelijkheid die uit zijn stem klonk, verraste Sina. Ze had een stem verwacht als die van Vos. Ze krabbelde beduusd overeind en staarde hem aan. Ook zijn ogen stonden vriendelijk, zag ze, vriendelijk en een beetje bezorgd. Of leek dat maar zo, door zijn misvormde gezicht?

"Ik - ik kom mijn boek terugbrengen..."

De Oude Egel glimlachte. "Ik ben benieuwd," zei hij. "Kom maar verder. Dan zullen we eens zien!"

Sina volgde hem het gebouw in, waar hij haar bij een balie bracht. Ze haalde de rugtas van haar schouder, tilde het boek eruit en legde het voor de Oude Egel neer. Die streelde even over de omslag en deed de sloten open. Zwijgend sloeg hij blad na blad om. Minutenlang keek Sina steeds even steels naar zijn mismaakte gezicht om te zien wat hij dacht, tevergeefs.

Tenslotte sloeg hij het boek weer dicht en keek hij Sina aan.

"Ik denk dat ik je niet hoef te vertellen dat er wel wat aanmerkingen te maken zijn op de staat van je boek, Sina, dat zal je zelf ook wel hebben gezien, toch?"

Sina knikte, er zat een enorme brok in haar keel.

"De regel is dat boeken netjes moeten worden ingeleverd, zonder vlekken, krassen of scheuren. Zal ik je het boek maar weer mee teruggeven, zodat je het kan herstellen?"

Ze keek hem aan, en er kwamen grote tranen in haar ogen. "Ik heb... ik... de hele nacht... maar het lukt niet..."

De Oude Egel knikte, sloeg het boek weer open op een bladzijde waar ze had geprobeerd iets te herstellen. "Het heeft niet zoveel geholpen allemaal," zei hij. "Ik denk ook niet dat je weet hoe het moet, eigenlijk."

Sina schudde haar hoofd.

"Wil je dat ik laat zien hoe je het kan doen?"

Ze wilde zeggen dat ze zo moe was, en dat ze hem een enge griezel vond waar ze het liefst ver vandaan bleef omdat ze bang was dat hij haar zou besmetten met de vreselijke ziekte waar hij aan leed. Maar ze wist dat ze geen andere mogelijkheid had. Ze knikte.

Hij gaf haar het boek, en ging haar voor naar de grauwe kelder van het gebouw. 

V

In de kelder stonden rijen tafels waar boeken lagen, stapels boeken zoals de hare, sommige heel dik en sommige flinterdun. Tegen de wand stonden grote rekken die volstonden met kleine glazen flesjes. Er zat een donkerrode vloeistof in.

"Egelbloed," zei de Oude Egel kalm toen hij merkte dat ze er naar keek.

Sina voelde zich misselijk worden. Dus toch! Deze afzichtelijke, monsterlijke oude egel, hij had haar naar de kelder gelokt om haar te vermoorden. Was ze maar niet zo moe, zo loom, dan rende ze weg. Maar het was niet alleen haar moeheid, ook zijn zachte stem hield haar in de kelder gevangen; die klonk alsof hij te vertrouwen was.

"Wist je dat, dat egelbloed een magische kracht heeft? Kom, leg je boek hier maar neer, dan kan je aan het werk. Er is nog zoveel te doen..."

Magische krachten, dacht Sina. Egelbloed. Ze vroeg zich angstig af in welk flesje hij haar zou laten verdwijnen. Ze legde haar boek op de tafel en de Oude Egel pakte een pincet van de plank met gereedschap. Hij gaf hem aan Sina.

"Hiermee moet je een stekel uit je vel trekken," zei hij, en hij sloeg haar boek open op de eerste bladzijde.

"Maar -" zei ze verbijsterd, "waarom - dat doet verschrikkelijk zeer!"

De Oude Egel blikte vluchtig over de kale plekken op zijn armen, en knikte langzaam. "Ik weet het, ik weet het. Maar het moet. Aan de stekel zit bloed, en met het bloed kan je deze vlekken in je boek herstellen. Het is het enige wat helpt..."

Sina keek een paar keer naar de pincet, en toen weer naar het misvormde lijf van de Oude Egel. Ze huiverde. En toen trok ze met een heftige beweging en een schreeuw van pijn een stekel uit haar lijf. Aan het puntje hing een kleine rode druppel.

"Kom, wrijf ermee op de vlek," zei de Oude Egel, en hij pakte haar hand. En tot haar verbazing zag ze de vlek verdwijnen zodra de druppel op het papier was beland. Maar nu zat er niets meer aan de stekel.

"Er zit nog bloed in het wondje waar je de stekel uitgetrokken hebt, als je hem er weer in prikt, kan je er nog wat uithalen," hielp de Oude Egel. "En als dat niet meer gaat, moet je een nieuwe stekel uittrekken."

Sina knikte, en deed ijverig wat hij zei. Maar ze was zo moe, nu ook van de pijn... Al snel werden haar oogleden zwaar en zakte haar hoofd op het boek. Ze was niet verder gekomen dan de eerste bladzijde toen ze in slaap viel. De Oude Egel glimlachte en stond op.

VI

Hij tilde Sina in zijn armen en droeg haar de trappen op naar boven, door de gangen heen, en toen naar buiten waar het donker was. Hij koos het pad naar de rivier. Naarmate hij verder kwam, hijgde hij meer en meer onder het gewicht van Sina. Zweet parelde op zijn voorhoofd, en het kwam in de open wondjes die hij in zijn gezicht had zodat er rode strepen langs zijn wangen begonnen te lopen. Maar hij zette door totdat hij bij de oever van de rivier was.

"Hond!" riep hij, "ik heb een passagier voor je!"

Van over het water kwam de boot aangevaren. Vos sprong als eerste van boord, en wees naar Sina.

"Da's er eentje zonder identiteit," zei hij. "Die heeft het net ook al geprobeerd. Kom je die voor mij terugbrengen? Bedankt, hoor!" 

Vos smekte overdreven, maar de Oude Egel gaf geen antwoord. Hond legde de boot aan en kwam er bij.

"Ja, u kan wel mee - natuurlijk, maar zij, heeft zij nu wel een paspoort? Anders kan het echt niet, u weet dat..."

"Ik ben haar paspoort en identiteit," antwoordde de Oude Egel. "Ze is van mij."

Vos snoof verachtelijk. "Ja, ja. En dat moeten we allemaal maar goed vinden zeker?"

"Maar - " vroeg Hond, "haar boek, heeft ze dat ingeleverd? Is dat allemaal goed?"

"Daar zal ik voor zorgen, dat het goed komt."

Hond schudde bezorgd zijn hoofd. "U zegt dat steeds... voor al die egels... waar haalt u al dat bloed vandaan?"

De Oude Egel keek weer even naar zijn kapotte armen. "Er is genoeg," zei hij eenvoudig. "Kom, ik wil haar graag naar haar kamer brengen."

Hond knikte en liet hem op de boot, terwijl hij Sina nog steeds in zijn armen droeg.

"Jij blijft hier, er is geen plaats voor jou," gebood de Oude Egel tegen Vos. Die spoog minachtend op de grond en mompelde een verwensing.

Hond bracht hen naar de overkant waar het hotel stond. Voorzichtig droeg de Oude Egel Sina naar boven, naar haar eigen kamertje en het bed dat daar al voor haar klaarstond. Voorzichtig stopte hij haar in, en legde even zijn hand op haar hoofd. Er lag een tevreden uitdrukking op haar gezicht, alleen wie goed keek zag nog een klein traantje.

"Ik zal je wakker maken als alles klaar is, als de winter voorbij is en het nieuwe leven verschijnt," fluisterde hij. 

VII

Het eerste ochtendrood werd zichtbaar toen de Oude Egel de bibliotheek weer bereikte. Hij dacht aan al die boeken in de kelder van de bibliotheek, aan alle pijn. Er was nog zoveel te doen... er schoot een huivering door zijn gekwelde lichaam.

Hij blikte in de richting van de rivier, waar het hotel stond met de slapende egels. Toen ademde hij diep in en liep de stenen trap op van de bibliotheek.

Ergens in het bos begon een merel te zingen.






zondag 21 december 2025

De Vreemdeling (Kerstverhaal 2025)



I
Mathilde keek over het kerkplein en merkte dat het weer aan het veranderen was. De natte geur van herfstig verval ging eindelijk wijken voor koudere lucht met een scherp, snijdend randje. Ze wreef in haar handen en blies wolkjes uit. Samen met Bart hadden ze handig ingespeeld op de kou en hun idee werkte uitstekend. Bij de bus stond een heel kluitje koffie of chocolade te drinken. Bart zorgde er dan wel voor dat er zo hier en daar ook boekjes van het rekje met lektuur werden meegenomen. En dankzij de warme drank waren de mensen net even iets toeschietelijker voor een praatje.

De meeste mensen gingen gewoon hun gang, in hun jas gedoken, sjouwend met tassen vol met spullen waarvan ze dachten dat ze die nodig hadden voor hun kerstfeest. Het was druk.

Uit de straat rechts kwam een vrouw het plein op, met lang, piekerig haar dat veel te grijs was voor haar leeftijd. In haar hand hield ze het hengsel van een fel groen met geel gestreepte boodschappentas geklemd, alsof het haar grootste schat was. Of haar wapen. Mathilde voelde zich altijd ongemakkelijk als ze haar zag, omdat ze zo vreemd was. Ze zag er vreemd uit, praatte vreemd, en deed vreemd. Niet dat er veel reden was om bang te zijn voor haar. Bart had wel eens gezegd dat Aline zelf banger was voor mensen dan andersom. En toch - Mathilde vond het maar niks, die priemende ogen die altijd argwanend rondkeken, die alles leken te zien en te beoordelen.

Ze woonde in een oude caravan op een veldje in de buurt dat van niemand was. Geen mens durfde daar te gaan kijken. Zeker niet nadat de politie er een keer geweest was, gewoon, om even poolshoogte te nemen, en ze in een wilde tirade was uitgebarsten dat ze "alles wist". "Ik ken jullie allemaal!" had ze geschreeuwd. "Ik ben naar de aarde gestuurd om jullie in de gaten te houden! Jullie lijken wel mooi, aardig en vriendelijk, maar vanbinnen zijn jullie zo rot als wat!" 

Binnen in de caravan kwamen de agenten al helemaal niet, en uiteindelijk gingen ze maar naar huis. Het was wel duidelijk dat aandringen niet erg hielp. Sinds die tijd kon je Aline regelmatig in de stad aantreffen, spiedend van links naar rechts, altijd op ruime afstand van de mensen. En vandaag passeerde ze hun busje op het kerkplein. 

Mathilde kreeg een idee. 

Snel vulde ze een bekertje met koffie, pakte een stroopwafel en legde die er bovenop. Ze liep op het tengere vrouwtje af en stak haar het bekertje toe. Mathildes hart bonsde in haar keel.

"Hier," zei ze, "Alstublieft, het is voor u."

Als door een wesp gestoken bleef ze staan. "Ga weg!" riep ze. "Waag het niet om me aan te raken! Ik ken je! Ik weet alles van jou, van je vrienden. Ik ken je door en door!" Ze wees met haar wijsvinger dreigend in Mathildes richting. "En nu wil je zeker ons geheim weten, hè? Dat zal je mooi niet lukken! We weten dat jullie niet te vertrouwen zijn! Jullie zijn slecht, jullie weten er niets van. Aline laat zich niet omkopen! Blijf uit mijn buurt! Ik hoor niet bij jullie!"

Het was niet dat Mathilde had verwacht dat Aline haar zou beladen met dankbetuigingen, maar de felle woorden hadden haar toch van haar stuk gebracht. Ze stond even besluiteloos naar Aline te kijken die zich inmiddels alweer had omgedraaid.

En toen kreeg ze een ingeving. Een ingeving die zonder dat ze dat besefte de volgende dag op zijn kop zou gaan zetten. Misschien, dacht Mathilde, misschien pakt Aline de koffie en de koek wel als ik het op een vuilnisbak zet.

II
En dat deed ze. Het was alsof Aline vergeten was dat het dezelfde koffie was die die vrouw haar nog geen minuut geleden had aangeboden. Mathilde lachte naar Bart, en wees, hoe ze de koffie wegslokte en de koek in een paar happen verorberde.

Met het bekertje nog in haar linkerhand en de tas tussen de benen geklemd graaide ze intussen met de andere hand in de vuilnisbak. Het was voor haar de gebruikelijke manier om aan haar dagelijks brood te komen.

Van de andere kant van het plein kwam er een groepje jongens aangelopen die zojuist hadden gesport. Bart groette hen vriendelijk en bood hen ook drinken aan. De jongens lachten.

"O nee, meneertje, de kilo's zijn er net vanaf! En zo te zien wil u er ook een heel verhaal bij kwijt, dat wordt helemaal een zware boel! Nee, we hoeven ook geen boekjes - kijk -"

Eén van de jongens wees naar Aline die nog bij de afvalbak stond. "Kijk, daar vist ze er net eentje uit!"
Mathilde herkende het boekje in Alines hand. Het was een Johannesevangelie, donkerblauw met de afbeelding van een herder op de voorkant, omringd van schapen. In het rek bij de bus stonden er nog veel meer.

"Hee," riep de jongen naar Aline, "dat lijkt me wel wat voor jou joh, gelovig worden. Als je je best doet, word je misschien wel een engeltje! Je bent al bijna zo ver!"
De jongens schaterden het uit.

"Laat dat,..." zei Bart waarschuwend. Maar Aline had hen gehoord. Met het bekertje koffie in de ene hand en het Johannesevangelie in de andere keek ze de jongens aan. Haar ogen gloeiden.
"Ik bén een engel," zei ze luid, tot enorm vermaak van de jongens. Het leek haar niet te deren. "Ik ben gezonden om de mensen in de gaten te houden, om alles over hen te leren. Alles onthoud ik, alles schrijf ik op. Jullie zijn slecht!"

Ze keek even naar het boekje in haar hand. "In dit boekje staan geheimen. Geheimen óver de mensen, geheimen vóór de mensen. En ik ga al die geheimen lezen. Jullie zijn dom! Jullie gooien jullie grootste geheimen weg! Jullie denken dat niemand ze zal kunnen vinden, maar ik heb het gevonden!"

Ze zwaaide met het evangelie in de lucht, en de jongens lachten spottend. "Joh," zei er eentje, "dat boekje, daar staan geen geheimen in, dat gaat over God en zo! Maar ga jij er maar lekker in lezen, dan word je vast ook christelijk en ze kunnen jou in de kerk heel goed gebruiken! Als engeltje!"

Brullend van het lachen liepen de jongens weg. Aline bekeek het boekje een tijdje en stopte het in haar groen met gele tas. 

III
Die avond, na het eten, sprak Mathilde erover met Bart. "Die Aline had het over 'ik weet wie je bent, wie je vrienden zijn'... waar haalt ze dat vandaan? Het leek alsof ze het zo echt méénde..."
Bart kwam naast haar zitten en legde zijn hand op haar schouder. "Aline was bang, Mathilde. Je moet je dat niet zo aantrekken."

Mathilde keek hem een beetje verbaasd aan. "Bang voor mij?? Maar ze zei ook zoiets over 'ons geheim' en 'we weten dat jullie niet te vertrouwen zijn'... wat bedoelde ze daar mee? Wie zijn die 'we'?"

Er kwam een verdrietige trek om Barts mond. "Je weet hoe dat soms gaat, Mathilde.  Misschien is ze als kind bang gemaakt door haar eigen vader of moeder. Bang gemaakt om met andere mensen om te gaan. Niet alle ouders zorgen goed voor hun kinderen... en misschien denkt Aline daar nu nog steeds aan, aan wat haar vader of moeder ooit een keer zei."

Mathilde staarde even voor zich uit. "Maar ze heeft toch mooi zo'n Johannesevangelie meegenomen. Dat is een wonder! Wie weet wat het uitwerkt... ze was er volgens mij blij mee..."

Bart reageerde niet direct. "Ja, wie zal het zeggen," zei hij na een tijdje, "Gaat ze er iets van begrijpen? Zonder dat iemand het haar kan uitleggen? Maar je hebt gelijk, wie weet wat God allemaal kan doen..."

Mathilde voelde zich dankbaar; dankbaar dat ze zo ongedacht een middel was geweest in Gods hand. Dankbaar, en als ze eerlijk was, ook een klein beetje trots.

IV
Zaterdag, de dag vóór het feest, was de kou werkelijk ingevallen. De ochtend verliep rustig, er was wel wat meer belangstelling voor de koffie en de koek, en ze kregen daar de nodige complimenten voor. Νa het middaguur werd de bewolking dikker en dwarrelden de eerste voorzichtige vlokjes naar beneden. De mensen doken in hun jassen alsof ze de ergste sneeuwstorm in jaren moesten doorstaan.

Om half vier leek het er haast op dat de avond met een paar uur was vervroegd. De talloze slierten met lampjes in feestelijke kleuren die overal waren opgehangen op het plein kwamen nu goed tot hun recht. Mathilde liep op het plein rond, raapte hier en daar verdwaalde bekertjes op en veegde om de vijf minuten een klein laagje sneeuw van het boekenrekje af.

Het was rond dat moment dat Aline er weer aan kwam. Maar deze keer zag ze er anders uit, nog steeds dezelfde oude kleren, de vale schoenen - maar er ontbrak iets. Ze had haar groen met gele tas niet bij zich; en in plaats daarvan had ze een blauw boekje in de hand waarop een herder stond, omringd van schapen. Ze klemde het vast alsof het haar grootste schat was. Of haar wapen.

Midden op het plein hield ze stil, en wees met haar vinger naar de bus.

"Zij brengen jullie het goede nieuws!" schreeuwde ze. "Want jullie mensen, jullie zijn allemaal slecht! Ik ken jullie, ik ben gekomen om te zien wie jullie zijn, en ik heb gezien dat jullie totaal verdorven zijn!"
De voorbijgangers begonnen naar haar te kijken. Ze had een felle blos op haar wangen, en haar zwarte ogen flitsten gloeiend als kooltjes over de mensen.

Die mensen waren nog niet zo onder de indruk en vonden het vooral vermakelijk. Hun lachen moedigde Aline alleen maar aan.

"Ja! Lach maar!" riep ze. Haar stem klonk schel en begon over te slaan. "Jullie weten zelf heel goed hoe het zit. Jullie gemeenheid, het liegen dat jullie doen. O ja, jullie zijn er heel goed in om dat te verbergen! Jullie kunnen zo aardig zijn, zo vriendelijk. Maar jullie menen er niets van! Ik heb het wel gezien! Wie zou er iets voor jullie geven? Wie zou jullie de moeite waard vinden? Jullie worden in vuil geboren en vergaan tot stof! Wie zou jullie niet haten?"

Mathilde begon zich een beetje ongemakkelijk te voelen, onder die wijzende vinger van Aline, en de snel groeiende ring van mensen om haar heen.

"Doe effe normaal, joh," riep iemand tegen Aline, "noem je dat 'goed nieuws'?"

Aline stak het boekje in de lucht. "Dit is het goede nieuws!"

Ze opende het en begon gejaagd er wat in te bladeren. "Want zo lief heeft God de wereld gehad..." las ze, en haar stem klonk voor haar doen ineens kalm, nadenkend. "Niemand kan van jullie houden! Jullie zijn slecht! En toch - jullie God houdt van de wereld! Hoe kan dat?"

Het was alsof ze zich dat laatste in opperste verbazing zelf afvroeg.

"Ooooh, ben je dóminee geworden?" grijnsde een lange jongen die vlak bij haar stond. "Nou, donderpreken houden kan je! Geef eens op!" 

Hij reikte met zijn hand om het boekje van haar af te pakken. Alines ogen werden groot van angst.

"Raak me niet aan!" siste ze. "Ik hoor niet bij jullie! Wij zijn niet van jullie soort!"

"O, o! Zit het zó!" zei de jongen kwaad. "Niet van jullie soort, hè. Jij vindt jezelf zeker te goed voor ons! Geef op dat boekje! Dan zal ik je laten zien wat ik daar mee doe!"

Hij probeerde nu haar arm te grijpen, maar Aline weerde zich zo wild af dat ze hem sloeg. Ze schrok daar verschrikkelijk van, het zweet parelde op haar voorhoofd en ze haalde hijgend adem. De ogen van de jongen werden vuil.

Bart liep naar de kring van mensen en probeerde te sussen, maar dat maakte de woede van de jongen alleen maar erger omdat die dacht dat Bart en Aline onder één hoedje speelden. Andere mensen begonnen zich er mee te bemoeien.

Moest ze niet iets doen, dacht Mathilde angstig. Niemand kon voorspellen hoe Aline zou reageren als ze in het nauw werd gedreven. Ze frommelde in haar jaszak naar het mobieltje, maar zag plotseling dat er een eind terug in de winkelstraat twee agenten gemoedelijk aan het praten waren met wat winkelend publiek. Die hadden blijkbaar nog niets in de gaten.

Ze sloeg een sjaal om, haastte zich naar de agenten en riep dat ze moesten komen. Ze schoten gelijk in actie. De jongen die een klap van Aline had moeten incasseren, droop zonder al teveel gesputter af. En de rest van de mensen deed net alsof ze alleen maar toeschouwer waren. In het midden van de kring op het kerkplein was alleen Aline overgebleven met het boekje in haar verkleumde hand. Ze was nog onverminderd aan het roepen. "Jullie zijn dwaas! Jullie willen het goede nieuws niet eens horen!"

De agenten liepen op haar af. "Kom, mevrouw, u moet hier weg. Gaat u mee? We brengen u naar huis."

Maar Aline ging door met roepen en schreeuwen, dat God de mensen liefhad ook al was dat onbegrijpelijk. Uiteindelijk grepen de agenten in. 

Mathilde hoorde hoe ze brulde, als een wild dier - en hoe dat brullen overging in gillen, het krijsend gillen van een klein kind in totale paniek dat wordt geslagen zonder dat het weet waarom. Ze voelde zich misselijk worden, de koude rillingen liepen over haar rug en ze stond als aan de grond genageld. En toen de stilte eindelijk was teruggekeerd en iedereen op het kerkplein Aline vergeten leek, begon ze alles in de bus te laden. Bart hielp zonder een woord te zeggen mee.

V
Die avond aten ze zwijgend. Mathilde keek voortdurend naar buiten, en rommelde onrustig met haar handen.

"Het was mijn schuld," zei ze. "Ze wilde iets zeggen, en ik heb haar de kans niet gegeven. En ik had moeten weten dat die agenten geen rekening met haar zouden houden. Ik was gewoon te bang."

"Je kon er niets aan doen, lieverd," zei Bart.

"Misschien niet... maar ik móét het weten. En ik moet het goedmaken."

Bart keek haar vragend aan. "Wát moet je weten?"

"Wat ze zeggen wilde. Misschien kunnen we niets voor haar doen, maar ik kan er nu wel zíjn voor haar. Ik ga naar haar toe."

"Nú??" vroeg Bart onthutst. "Het is donker, het is glad - en ze laat je toch niet binnen! Weet je nog hoe ze gisteren reageerde?"

Mathilde stond resoluut op. "Dat zie ik dan wel weer. Ik voel dat ik erheen moet."

"Maar - het is onverantwoord, wie weet wat er allemaal - als je echt wil, dan ga ik mee."

Mathilde schudde haar hoofd. "Nee, dat is niet verstandig. Ze zal zeker geen mannen over de vloer willen. Dit kan ik beter zelf doen."

Bart sputterde tegen en gaf uiteindelijk toe. Ze reed met de auto over de dichtgesneeuwde weg naar het braakliggende veldje. De wereld zag eruit alsof iemand met een enorme witte zakdoek al het aardse verdriet en gekerm probeerde te smoren, en het zag er niet naar uit dat hij er snel mee zou stoppen. Voorzichtig sturend parkeerde Mathilde de auto bij Alines caravan.

Er scheen een zwak licht door één van de raampjes. Mathilde klopte op de deur maar er kwam geen antwoord. Ook tikken op het ruitje waar ze het licht zag schijnen leverde niets op. Voorzichtig opende ze uiteindelijk met bevende handen het deurtje van de caravan en stak haar hoofd naar binnen. Het was er doodstil, alleen boven de de bedbank brandde een lichtje. Daar lag Aline, in wat willekeurige lappen en doeken gewikkeld, met de ogen open naar boven starend.

Ze zal toch niet - dacht Mathilde even ontzet, maar toen ze bij haar stond hoorde ze opgelucht dat ze nog ademhaalde. Alines gezicht was rood en bezweet.

"Aline," zei Mathilde zacht, "kan je me horen?"

"Dorst," zei ze.

"Ja, natuurlijk," antwoordde Mathilde snel, en ze raakte even bijna in paniek bij de gedachte dat er misschien wel helemaal niets te vinden was in Alines caravannetje. Dat viel mee. Er was gewoon stromend water, en er stond zelfs een pak sap in het minuscule koelkastje. Naast de gootsteen lag een zak met witte bolletjes. Ze pakte het en keek ernaar.

"Wil je ook wat eten, Aline?"

"Ja..." klonk het zwak.

Het was eigenlijk niet erg positief dat ze zo timide was, dacht Mathilde. Het kon maar één ding betekenen.

Ze nam een bolletje en een bekertje met sap mee naar het bed. Maar meer dan een enkel stukje brood en een klein slokje kreeg Aline niet weg. Stil zat Mathilde een poosje te luisteren naar haar zware ademhaling. Maar ze móést het toch weten, ze móést het vragen.

"Het spijt me, Aline, van vanmiddag, van de politie die je mee heeft genomen... je wilde iets zeggen, hè? Wil je het mij vertellen? Over wat je in het boekje had gelezen?"

Alines ogen werden groot, en ze draaide haar hoofd naar Mathilde.

"Het boekje," lispelde ze zacht.

"Ja... wat had je daarin gelezen?"

Tot Mathildes verbazing kwamen er tranen in Alines ogen die over haar magere gezicht liepen.
"De mensen zijn slecht en toch houdt God van hen," zei ze. "Waarom zijn de mensen dan niet blij? Aline zou blij zijn, als iemand van haar hield..."

Mathilde liet de woorden door haar hoofd gaan. Alle antwoorden die ze kon bedenken op Alines vraag leken hier ongepast of onbelangrijk.

"Maar houdt God dan ook niet van jou, Aline?" vroeg ze uiteindelijk.

Er kwamen meer tranen. "God houdt van de mensen... God houdt niet van Aline, want Aline is geen mens."

Een steek ging door Mathildes borst. Ze keek naar het gekwelde en beschadigde leven dat daar op bed lag.

Monotoon ging Aline verder, "Ik ben naar de aarde gestuurd om de mensen in de gaten te houden. Nu weet Aline dat de mensen een God hebben Die van hen houdt. En vandaag moet ik de aarde weer verlaten."

"Je hebt jezelf altijd een vreemde gevonden, hè, Aline?" vroeg Mathilde zacht. Er kwamen ineens woorden in haar hoofd, als een melodie.

"Weet je, Aline, dat boekje wat je las, dat - dat - daar zijn nog meer boekjes van... en in eentje staat ook iets over vreemdelingen. Wacht, ik zal het voorlezen."

Mathilde pakte haar telefoon en zocht.

"Hier: de HEERE heeft de rechtvaardigen lief. De HEERE bewaart de vreemdelingen."

Aline keek haar met grote ogen aan. "Die - dat is God?" Er lag een hunkering in haar blik.

Mathilde knikte. Aline sloot met een zucht haar ogen. "God bewaart de vreemdelingen," sprak ze langzaam, alsof elk woord een goudprijs had. 

"Nu mag Aline weg," fluisterde ze. "Maar Aline is bang voor de reis..."

Mathilde zag de magere handen boven de doeken liggen, onrustig plukkend.

"Zal ik - mag ik je hand vasthouden, Aline, totdat de reis klaar is?" vroeg ze met een bonzend hart.
Aline legde haar rechterhand dichter naar haar toe, en heel voorzichtig nam Mathilde die in haar eigen hand. Zachtjes streelde ze erover.

"Ga maar," zei ze zacht, "alles is klaar, Aline. Er wordt op je gewacht."

Na een poosje stuurde Mathilde met één hand een berichtje naar Bart dat alles goed was.